Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
:
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende had een eenmanszaak ingeschreven onder de naam [BB], voortkomend uit eerdere activiteiten onder de naam [AA], gericht op begeleiding en coaching via reisprogramma's in Europa. Daarnaast richtte hij een stichting op voor het verkrijgen van subsidies voor deze activiteiten. In 2008 verrichtte belanghebbende werkzaamheden voor [CC], die hij als onderdeel van zijn onderneming aanmerkte.
De inspecteur kwalificeerde de inkomsten uit deze werkzaamheden als resultaat uit overige werkzaamheden, omdat de werkzaamheden onvoldoende verband hielden met de onderneming. De rechtbank en het gerechtshof Den Haag oordeelden in eerste instantie verschillend, maar na cassatie door de Hoge Raad werd de zaak verwezen naar het gerechtshof Amsterdam.
Het hof concludeert dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn werkzaamheden voor [CC] duurzaam en organisatorisch verbonden zijn met zijn onderneming. De werkzaamheden zijn eenmalig en nevenactiviteiten, die niet aan de onderneming kunnen worden toegerekend. Daarom zijn de inkomsten terecht als overige werkzaamheden belast.
Het hoger beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er worden geen proceskosten aan partijen opgelegd.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt dat de nevenwerkzaamheden niet aan de onderneming kunnen worden toegerekend en wijst het hoger beroep af.