ECLI:NL:GHAMS:2015:5261
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen voorzitter in familiezaak over toezicht minderjarige kinderen
In deze zaak betrof het wrakingsverzoek de voorzitter van de meervoudige kamer van het gerechtshof Den Haag, die op 9 oktober 2015 een besloten zitting leidde in een hoger beroep over het onder toezicht stellen van twee minderjarige kinderen. Verzoeker, de vader en appellant in de hoofdzaak, stelde dat hij onvoldoende gelegenheid had gekregen zijn standpunt toe te lichten en dat de voorzitter onpartijdig zou zijn.
Tijdens de zitting werd verzoeker meerdere malen onderbroken en kreeg hij geen toestemming om rechtstreeks vragen te stellen aan een medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming. Verzoeker voelde zich hierdoor benadeeld en sprak een wrakingsverzoek uit. De voorzitter gaf schriftelijk aan dat de zitting volgens het gebruikelijke stramien was verlopen, waarbij alle partijen de gelegenheid kregen hun standpunt toe te lichten.
De wrakingskamer heeft het proces-verbaal, de schriftelijke reactie van de voorzitter en de mondelinge toelichting van verzoeker bestudeerd. Hieruit bleek dat verzoeker voldoende spreektijd had gehad en dat de voorzitter de orde op de zitting handhaafde zonder partijdigheid te tonen. De wrakingskamer oordeelde dat er geen zwaarwegende aanwijzingen waren voor vooringenomenheid of schending van het recht op een eerlijk proces.
Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen. De beslissing werd door het hof Amsterdam genomen en op 15 december 2015 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzitter wordt afgewezen wegens het ontbreken van aanwijzingen voor partijdigheid.