Uitspraak
ING BANK N.V.,
Gerechtshof Amsterdam
Appellant stelde hoger beroep in tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam en betaalde het griffierecht te laat, namelijk na de uiterste termijn van vier weken na de eerste uitroeping van de zaak. Hoewel appellant betoogde dat het juiste griffierechtbedrag €311,- was en tijdig betaald zou zijn, oordeelde het hof dat dit onvoldoende grond bood voor toepassing van de hardheidsclausule. Desondanks besloot het hof de hardheidsclausule toe te passen en geen ontslag van instantie te verlenen aan geïntimeerde.
Appellant had ook nagelaten binnen de gestelde termijn een memorie van grieven in te dienen. Na verwijzing van de zaak voor het nemen van deze memorie en het verstrijken van de gebruikelijke termijn, besloot het hof op grond van een arrest van de Hoge Raad uit 2015 om appellant een aanvullende termijn van twee weken te geven om alsnog de memorie van grieven in te dienen.
De zaak werd verwezen naar de rol van 10 november 2015 voor het nemen van de memorie van grieven, waarbij het hof verdere beslissingen aanhield. Dit arrest is gewezen door de meervoudige kamer van het Gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 27 oktober 2015.
Uitkomst: Het hof verleent appellant een extra termijn om een memorie van grieven in te dienen en houdt verdere beslissing aan.