Uitspraak
1.[appellant sub 1],
[appellant sub 2],
[appellant sub 3],
[geïntimeerde sub 2],
Gerechtshof Amsterdam
Appellanten, waaronder een besloten vennootschap en natuurlijke personen, stelden dat de berichtgeving over vermeende fraude bij beleggingsfonds Partrust onrechtmatig was en gingen in hoger beroep tegen een eerder vonnis van de voorzieningenrechter in kort geding. De zaak werd behandeld als spoedappel in kort geding.
Een geschilpunt betrof de betaling van het griffierecht. Hoewel het griffierecht niet binnen de wettelijke termijn van vier weken na de eerste uitroeping was voldaan, oordeelde het hof dat in een spoedappel in kort geding artikel 127a lid 2 Rv niet van toepassing is, waardoor doorprocederen mogelijk bleef.
Het hof verwees naar het Pilot Rolreglement van het gerechtshof Amsterdam en de jurisprudentie van de Hoge Raad, die bevestigen dat het spoedkarakter van de procedure afwijking van de griffierechtregels rechtvaardigt. Het pleidooi werd vastgesteld op 25 maart 2015. De inhoudelijke beoordeling van de onrechtmatigheid van de berichtgeving werd in dit arrest niet nader besproken.
Uitkomst: Het hof oordeelt dat in een spoedappel in kort geding het griffierecht niet tijdig betaald mag zijn zonder dat dit leidt tot ontslag van de zaak, waardoor de procedure kan worden voortgezet.