De verdachte werd op 11 februari 2014 in verzekering gesteld en vervolgens in bewaring genomen wegens ernstige bezwaren omtrent medeplegen van mensenhandel, waaronder het brengen van een minderjarige tot prostitutie, en bezit van kinderpornografisch materiaal. De rechtbank Amsterdam veroordeelde hem op 21 april 2015 tot 25 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, en gaf een bevel tot gevangenneming.
De verdachte stelde hoger beroep in tegen het bevel tot gevangenneming en verzocht om opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis. De raadsman voerde aan dat de rechtbank onvoldoende concrete feiten had om de geschokte rechtsorde aan te nemen en dat het bevel neerkwam op dadelijke tenuitvoerlegging van de straf, wat niet past binnen het Nederlandse strafrechtsstelsel.
Het hof oordeelde dat er voldoende ernstige bezwaren zijn en dat de aard en ernst van de feiten, waaronder de uitbuiting van minderjarige slachtoffers in de prostitutie, de rechtsorde ernstig hebben geschokt. De vrijlating van de verdachte zou leiden tot maatschappelijke onrust. Het hof wees het hoger beroep en de verzoeken tot opheffing en schorsing van de voorlopige hechtenis af en bevestigde het bevel tot gevangenneming.