ECLI:NL:GHAMS:2015:2411

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
22 juni 2015
Publicatiedatum
23 juni 2015
Zaaknummer
23-001525-14
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 359a SvArt. 8 EVRMArt. 2 OpiumwetArt. 10 Opiumwet
Verwijzingen
14 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis en strafvermindering voor medeplegen invoer cocaïne na rechtmatige inbeslagname smartphone

In hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis bevestigd, behalve ten aanzien van de straf, die werd verminderd van tien naar zeven maanden gevangenisstraf. De verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van de opzettelijke invoer van 810 gram cocaïne, een gevaarlijke harddrug verboden bij de Opiumwet.

De verdediging stelde dat de inbeslagname en het onderzoek van de iPhone van de verdachte onrechtmatig was op grond van artikel 94 Wetboek Pro van Strafvordering en het recht op privacy zoals beschermd door artikel 8 EVRM Pro. Het hof verwierp dit verweer, oordelend dat artikel 94 Sv Pro een voldoende wettelijke grondslag biedt voor inbeslagname en onderzoek van gegevens op een smartphone, en dat er geen sprake was van een ernstig vormverzuim dat uitsluiting van bewijs zou rechtvaardigen.

De strafvermindering werd gemotiveerd door de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het werd begaan en de persoon van de verdachte. Het hof achtte een gevangenisstraf van zeven maanden passend en geboden, waarbij rekening werd gehouden met de tijd die de verdachte in voorarrest had doorgebracht. Het arrest werd gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 22 juni 2015.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot zeven maanden gevangenisstraf voor medeplegen invoer cocaïne, met rechtmatige inbeslagname en onderzoek van de smartphone.

Uitspraak

Parketnummer: 23-001525-14
Datum uitspraak: 22 juni 2015
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 3 april 2014 in de strafzaak onder parketnummer
15-820282-14 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats], op [geboortedag] 1979,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 8 juni 2015 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en de gronden waarop het berust en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de straf - in zoverre zal het vonnis worden vernietigd - en met dien verstande dat het hof respondeert op de in hoger beroep gevoerde verweren.

Overwegingen

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de inbeslagname van en het onderzoek aan de smartphone van het merk iPhone op grond van artikel 94 Wetboek Pro van Strafvordering (Sv) onrechtmatig is geweest omdat niet alleen toegang tot verkeersgegevens maar ook tot de inhoud van communicatie en privé-informatie van de gebruiker van de smartphone is verkregen. Daartoe voert hij aan dat het lichten van de gegevens op die smartphone een inbreuk vormt op het bij artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op privacy, terwijl artikel 94 Sv Pro daarvoor een onvoldoende wettelijke grondslag biedt. Hij heeft zich hierbij beroepen op het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 april 2015 (gepubliceerd onder ECLI:NL:GHARL:2015:2954). De raadsman stelt dat dit een zodanig ernstig vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv oplevert, dat het gevolg daarvan moet zijn dat al het bewijs dat door het uitlezen van de gegevens van de smartphone van de verdachte is verkregen – in het bijzonder de Whatsapp-berichten van de verdachte met en over [naam] - van het bewijs moet worden uitgesloten.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de smartphone van de verdachte op rechtmatige wijze in beslag is genomen. In artikel 94 Sv Pro is bepaald dat alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen, in beslag kunnen worden genomen. Het is niet onrechtmatig als in de telefoon wordt gekeken om onderzoek te doen naar het telefoonverkeer.
Volgens de advocaat-generaal is geen sprake van het door de raadsman gestelde vormverzuim en kan de informatie, verkregen door het uitlezen van de gegevens op de smartphone, aan het bewijs van het ten laste gelegde bijdragen.
Het hof overweegt als volgt.
Artikel 94 Sv Pro bepaalt dat alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen vatbaar zijn voor inbeslagneming. Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. In computers opgeslagen gegevens zijn daarvan niet uitgezonderd (HR 29 maart 1994, ECLI:NL:HR:1994:AD2076). Er is geen reden om ten aanzien van een smartphone anders te oordelen. De iPhone van de verdachte is dan ook met de oog op de waarheidsvinding rechtmatig in beslag genomen. Artikel 94 Sv Pro vormt een voldoende duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag voor de inbeslagname en het daaropvolgende onderzoek in de smartphone van de verdachte. Er is derhalve geen sprake van een vormverzuim.
Het hof verwerpt mitsdien het verweer.

Oplegging van straf

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg ten laste gelegde bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de opzettelijke invoer van 810 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen gevaarlijke harddrug en verboden bij de Opiumwet. De handel in en het gebruik van harddrugs zoals cocaïne brengen criminaliteit en andere vormen van overlast met zich mee.
Het hof heeft gelet op de straf die ter zake van dergelijke feiten pleegt te worden opgelegd en komt gelet daarop tot een lagere straf dan is geëist door de advocaat-generaal.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en artikel 47 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
7 (zeven) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. F.A. Hartsuiker, mr. P.C. Römer en mr. J.W.H.G. Loyson, in tegenwoordigheid van
mr. M. Venderbosch, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
22 juni 2015.
[…]