Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
€ 8.555,28
Gerechtshof Amsterdam
Belanghebbende maakte in 2009 kosten voor kinderopvang van haar twee kinderen, terwijl haar echtgenoot chronisch ziek is en niet in staat is voor de kinderen te zorgen. Zij vorderde aftrek van deze kosten als specifieke zorgkosten op grond van artikel 6.17 Wet IB 2001.
De rechtbank oordeelde dat kinderopvangkosten niet als specifieke zorgkosten kunnen worden aangemerkt, omdat zij niet medisch noodzakelijk zijn en er geen direct verband is met de invaliditeit van de echtgenoot. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat geen sprake was van een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur.
Het Hof onderschrijft deze overwegingen en stelt dat de kinderopvangkosten te ver verwijderd zijn van de invaliditeit om aftrekbaar te zijn. Er was geen recht op extra gezinshulp dat door kinderopvang werd vervangen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt eveneens. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De kosten voor kinderopvang worden niet erkend als aftrekbare specifieke zorgkosten en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.