Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
3.Het geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het hoger beroep
.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2002 in gemeenschap van goederen gehuwd en hun huwelijk is in 2010 ontbonden. De man is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank over de verdeling van de gemeenschapsschulden en de inboedel van de voormalige echtelijke woning.
De man betwist dat hij alleen verantwoordelijk is voor de kredieten bij ABN AMRO en verzoekt om verdeling van deze schulden en de inboedel bij helfte. Het hof overweegt dat de man deze kredieten frauduleus heeft afgesloten zonder medeweten van de vrouw, die niet betrokken was bij het beheer van de financiën en door ABN AMRO is ontslagen van haar aansprakelijkheid.
Gezien de uitzonderlijke omstandigheden acht het hof het onaanvaardbaar dat de vrouw de helft van deze schulden draagt en bekrachtigt het de beschikking dat de man deze schulden alleen draagt. Ook wijst het hof het verzoek van de man af om de inboedel te verdelen, omdat deze niet meer aanwezig was op de peildatum.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt dat de man de volledige schuldenlast van de kredieten draagt en wijst het verzoek tot verdeling van de inboedel af.