In deze strafzaak diende verzoeker een schriftelijk wrakingsverzoek in tegen de raadsheer-commissaris, stellende dat deze lijdt aan een waanstoornis die haar ongeschikt maakt voor haar taak. Tevens verzocht hij om wraking van de leden van de wrakingskamer zelf, stellende dat ook zij aan een gevaarzettende waanstoornis lijden en dat het hof onbevoegd zou zijn.
De wrakingskamer oordeelde dat de aangevoerde gronden niet persoonlijk waren gericht tegen de raadsheer-commissaris, maar algemene beschuldigingen aan het adres van rechters. Dit voldoet niet aan de hoge drempel die vereist is om de onpartijdigheid van een rechter te betwijfelen. Daarom werd verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoek tegen de raadsheer-commissaris.
Ten aanzien van het verzoek tot wraking van de wrakingskamerleden werd geoordeeld dat de aangevoerde grieven evident geen grond voor wraking opleveren en dat het verzoek gebaseerd was op reeds eerder verworpen en niet nader onderbouwde stellingen. Dit werd aangemerkt als kennelijk misbruik van recht, waardoor ook dit verzoek niet-ontvankelijk werd verklaard.
De wrakingskamer bepaalde dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker niet in behandeling zal worden genomen. De beschikking werd uitgesproken in openbare raadkamer van het gerechtshof Amsterdam op 17 februari 2014.