Uitspraak
de Staat, de Minister van Veiligheid en Justitie te Den Haag, door tussenkomst van de Raad voor de Rechtspraak, de Minister,
de inspecteur van de Belastingdienst Holland-Noord/kantoor Alkmaar,de inspecteur.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak gaat het om een verzoek tot vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van belastingaanslagen in het kader van het Rekeningenproject. De belastingaanslagen betroffen navorderingen inkomstenbelasting en vermogensbelasting over de jaren 1992 tot en met 2003. De bezwaar- en beroepsprocedures namen meerdere jaren in beslag, mede door de complexiteit van de zaak en prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en het Hof van Justitie.
Het Hof stelt vast dat de bezwaarfase en de beroepsfase in eerste aanleg samen een redelijke termijn van vier jaar overschreden, evenals de tweede fase (hoger beroep) met bijna een jaar. De complexiteit van de zaak en het gebrek aan medewerking door belanghebbende rechtvaardigen een langere termijn dan standaard, maar niet de volledige duur van de overschrijding.
Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wordt spanning en frustratie door termijnoverschrijding verondersteld, zodat vergoeding van immateriële schade gerechtvaardigd is. Het Hof kent een totale schadevergoeding van €3.000 toe, waarvan €1.000 voor rekening van de inspecteur en €2.000 voor de Minister van Veiligheid en Justitie.
De beslissing is genomen zonder nadere zitting, omdat de gemachtigde niet heeft gereageerd op verzoeken tot schriftelijke reactie en het beleidsstandpunt van de Minister geen hoorzitting vereist. De uitspraak bevestigt het belang van tijdige behandeling van belastinggeschillen en de mogelijkheid van vergoeding bij overschrijding.
Uitkomst: De inspecteur en de Minister worden veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van respectievelijk €1.000 en €2.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn.