Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het geschil
“1. Voor het bepalen van het inkomen uit een recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen die de tegenwaarde vormen voor een prestatie blijven de regels die daarvoor golden op 31 december 2000 op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, voor zover die regels niet in strijd komen met het bepaalde in artikel 3.109 van de Wet IB 2001, van toepassing voorzover:
voorzover zij nog niet op grond van de Wet IB 1964, tekst 2000, als periodieke uitkering werden aangemerkt.Indien een afkoopsom dus nog niet op grond van een andere wettelijke bepaling als periodieke uitkering wordt aangemerkt, regelt het vierde lid van Onderdeel O, dat dit alsnog gebeurt.
voor zover’ wordt gebezigd, vindt naar ’s Hofs oordeel zijn verklaring in de omstandigheid dat de lijfrentetermijnen die bij een reguliere uitvoering van een pre-Bredeherwaarderingspolis als de onderhavige zouden vloeien, ook zonder overgangsbepaling reeds als periodieke uitkering in de zin van de Wet IB 2001 zouden kunnen worden gekwalificeerd, zodat herkwalificatie
in zoverreniet nodig was.