ECLI:NL:GHAMS:2014:4898
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing verleggingsregeling omzetbelasting bij bouw bedrijfshal en onderaanneming
Belanghebbende had een bedrijfshal gebouwd en daarvoor een naheffingsaanslag omzetbelasting ontvangen van de Belastingdienst. Zij stelde dat er drie afzonderlijke overeenkomsten waren met verschillende onderaannemers, waardoor de verleggingsregeling niet van toepassing zou zijn. De inspecteur hield vast aan één aannemingsovereenkomst met [C] B.V. voor het gehele werk.
Het Hof onderzocht de feiten, waaronder facturen, brieven en het boekenonderzoek. Hoewel belanghebbende brieven overhandigde waarin sprake was van afzonderlijke overeenkomsten met onderaannemers, werden deze niet voldoende onderbouwd met contracten of facturen. Het Hof concludeerde dat de werkzaamheden grotendeels op de bouwlocatie waren verricht en dat de uitzondering op de verleggingsregeling niet van toepassing was.
De bewijsregel van de Hoge Raad over wie als afnemer geldt bood geen uitkomst vanwege tegenstrijdige facturen. Het Hof stelde een redelijke verdeling van stelplicht en bewijslast vast, waarbij belanghebbende onvoldoende aannemelijk maakte dat haar rechtsbetrekking met [C] was gewijzigd. Ook bij veronderstelling van drie contracten zou de uitkomst niet anders zijn.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag omzetbelasting is bevestigd.