Uitspraak
1.de maatschap [X] ,
[geïntimeerde sub 2], maat van geïntimeerde sub 1,
[geïntimeerde sub 3], maat van geïntimeerde sub 1,
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak heeft appellant hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter. De kern van het geschil betreft de tijdige betaling van het griffierecht, welke volgens het hof één dag te laat op de rekening van het gerecht was bijgeschreven. Appellant voerde aan dat de vertraging het gevolg was van storingen bij de Rabobank en beriep zich op de hardheidsclausule van artikel 127a lid 3 Rv.
Het hof overweegt dat de uiterste betaaldatum 10 juni 2014 was en dat het niet relevant is wanneer de afboeking door appellant of zijn gemachtigde heeft plaatsgevonden, maar wanneer het bedrag op de rekening van het hof stond. Appellant heeft nagelaten een bankafschrift te overleggen waaruit de datum van afboeking blijkt, waardoor het hof de omstandigheden voor zijn risico houdt.
Het hof wijst het beroep op de hardheidsclausule af en ontslaat geïntimeerden van de instantie voor het principaal appel. De zaak wordt verwezen voor voortzetting van het incidenteel appel. Appellant wordt veroordeeld in de kosten van het principaal appel.
Uitkomst: Het hof wijst het beroep op de hardheidsclausule af en veroordeelt appellant in de kosten van het principaal appel.