ECLI:NL:GHAMS:2014:4124

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
9 oktober 2014
Publicatiedatum
9 oktober 2014
Zaaknummer
23-003738-13
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak in hoger beroep wegens onvoldoende bewijs van valsheid in factuur

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 9 oktober 2014 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam. De verdachte was beschuldigd van het valselijk opmaken van een factuur, gedateerd 31 juli 2001, die bestemd was om als echt en onvervalst te worden gebruikt. De advocaat-generaal had gevorderd dat de verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Tijdens de zitting in hoger beroep op 25 september 2014 is het hof tot de conclusie gekomen dat er onvoldoende bewijs was om de verdachte te veroordelen. Het hof oordeelde dat het niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat de verdachte de factuur had opgemaakt of dat hij als medepleger betrokken was bij het opmaken van de factuur. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met verklaringen van getuigen en de omstandigheden rondom de factuur. De verdachte heeft ontkend op de hoogte te zijn geweest van de valse factuur en heeft verschillende argumenten aangedragen die zijn onschuld zouden kunnen aantonen. Het hof heeft uiteindelijk geoordeeld dat het niet uitgesloten kon worden dat een ander, zonder medeweten van de verdachte, de factuur had opgesteld. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Uitspraak

Parketnummer: 23-003738-13
Datum uitspraak: 9 oktober 2014
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 augustus 2013 in de strafzaak onder parketnummer 13-993501-10 tegen:
[Verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
postadres [postadres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
25 september 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van
2 maanden, met een proeftijd van 2 jaren.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de maand juli 2001, te Amsterdam en/of (elders) in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke personen en/of met een of meer rechtspersonen, althans alleen,
een factuur, gedateerd 31 juli 2001, afkomstig van [Bedrijf 1], geadresseerd aan [Bedrijf 3], factuurnummer 001001, met een factuurbedrag van Hfl 238.000,- (inclusief BTW), betreffende project [project] en met de omschrijving (zakelijk weergegeven):
-het maken en aanpassen van diverse tekstvoorstellen voor een verkoopbrochure inzake bovengenoemd project;
-het vertalen in het Duits van bovengenoemde brochure en begeleidend schrijven;
-het begeleiden van diverse presentaties aangaande het project [project];
- zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen -
valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om die factuur als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,
hebbende dat valselijk opmaken hierin bestaan, dat die factuur fictief was, althans dat de in die factuur omschreven verkopen en/of leveringen van goederen of diensten in werkelijkheid niet of niet geheel hadden plaatsgevonden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen aangezien het hof, anders dan de rechtbank, de verdachte zal vrijspreken van het ten laste gelegde.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte, al dan niet als medepleger, de ten laste gelegde valse factuur heeft opgemaakt. Ten aanzien van verdachtes betrokkenheid bij deze factuur, heeft zij erop gewezen dat [Bedrijf 1] (hierna: [Bedrijf 1]) een eenmanszaak van de verdachte was, en dat de verdachte heeft verklaard dat, voor zover hij zich kon herinneren, er geen andere mensen zijn te benoemen die een rol hebben gespeeld binnen [Bedrijf 1]. Voorts heeft zij erop gewezen dat er geen betalingen zijn binnengekomen op het op de factuur vermelde rekeningnummer van [Bedrijf 1], voordat daarop het gefactureerde geldbedrag is gestort, zodat volgens de advocaat-generaal onaannemelijk is dat een ander dan de verdachte op de hoogte was van het bestaan van deze nieuwe rekening. Toen dit geldbedrag dezelfde dag werd overgeboekt naar een rekening van [Bedrijf 2 i/o] (later [Bedrijf 2], en hierna voor beide: [Bedrijf 2]), was de verdachte volgens de advocaat-generaal enig aandeelhouder, directeur en eigenaar van [Bedrijf 2]. Volgens de advocaat-generaal kan het niet anders zijn dan dat de factuur van de verdachte afkomstig is. Gezien de wijze van handelen in de strafzaak Klimop (in welk verband de factuur zou zijn verzonden) is het logisch en begrijpelijk dat de factuur door de heer [betrokkene 1] is meegenomen naar de heren [betrokkene 2] en [betrokkene 3] (van [Bedrijf 3]) en dat hij hun heeft opgedragen de factuur te betalen, aldus de advocaat-generaal.
Door en namens de verdachte is ontkend dat de verdachte wist van het bestaan van de valse factuur, die onder de naam [Bedrijf 1] is verzonden. De verdediging heeft allereerst aangevoerd dat vorm en inhoud van deze factuur afwijken van andere, wel zakelijke facturen van [Bedrijf 1], en dat de verdachte reeds in zijn verhoor door de FIOD-ECD, zonder overigens kennis te hebben genomen van het dossier, hierop heeft gewezen. De verdediging heeft vervolgens verschillende omstandigheden aangedragen, die er volgens de verdediging op wijzen dat [betrokkene 1] de valse factuur onder de naam van [Bedrijf 1] heeft opgesteld en bij [betrokkene 2] en [betrokkene 3] heeft ingediend. In dit verband heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep (samengevat en zakelijk weergegeven) verklaard dat -hoewel hij zich dit niet kan herinneren- hij zich een gang van zaken kan voorstellen waarbij hem door [betrokkene 1], als (toenmalige) goede vriend en zakenpartner, is medegedeeld dat op de rekening van [Bedrijf 1] geld aankwam dat bedoeld was voor [Bedrijf 2], bij welk bedrijf zij beiden betrokken waren, en dat [betrokkene 1] hem heeft gevraagd dit geld door te storten naar [Bedrijf 2], en dat hij, de verdachte, daar toen niets achter heeft gezocht. Gezien zijn drukke zakelijke- en privéleven destijds, mag volgens de verdachte niet de conclusie worden getrokken dat hij toentertijd wel móét hebben stilgestaan bij het op het oog afwijkende karakter van de doorbetaling aan [Bedrijf 2]. Bovendien had hij geen zicht op de financiële kant van [Bedrijf 2], maar, zo heeft de verdachte verklaard, was [betrokkene 1] de financiële man. [betrokkene 1] heeft de beschikking kunnen hebben over het logo van [Bedrijf 1] aangezien hij als (adjunct-) directeur van Bouwfonds de beschikking heeft kunnen hebben over reguliere facturen van [Bedrijf 1] aan Bouwfonds waarvan hij het logo heeft kunnen overnemen, aldus de verdachte.
Het hof overweegt en beslist als volgt.
Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest die de valse factuur heeft opgemaakt of dat hij als medepleger opzettelijk betrokken is geweest bij het opmaken van die factuur. Bewijs waaruit dit rechtstreeks zou volgen is naar het oordeel van het hof niet voorhanden.
Gelet op de hierna te bespreken omstandigheden, is naar het oordeel van het hof in redelijkheid niet uit te sluiten dat een ander -zonder en buiten medeweten van de verdachte- de factuur heeft opgesteld en heeft laten betalen door de heren [betrokkene 2] en [betrokkene 3], eigenaren van [Bedrijf 3].
Het hof kent allereerst betekenis toe aan het feit dat het blijkens de verklaring van de heer [betrokkene 3], [betrokkene 1] is geweest die bij [betrokkene 2] en [betrokkene 3] is aangekomen met de tenlastegelegde factuur, en dat [betrokkene 1] heeft gezegd dat de factuur door hen betaald moest worden uit het project [project], zijnde een project van het bedrijf Bouwfonds.
De verdachte heeft in zijn verhoor ten overstaan van de FIOD/ECD op 16 maart 2009 verklaard dat de factuur van 31 juli 2001 (D-1205) hem niets zegt en dat hij in die tijd veel projecten heeft gedaan en daarvoor rekeningen heeft gestuurd. De verdachte heeft verder verklaard dat de op de factuur vermelde werkzaamheden hem niets zeggen en dat de onderneming [Bedrijf 3] geen bellen doet rinkelen. Over het project [project] en over de heren [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en hun onderneming [Bedrijf 4] heeft de verdachte verklaard dat hij daar nog nooit van heeft gehoord. Ook [betrokkene 2] en [betrokkene 3] hebben verklaard dat zij ten tijde van de betaling van de factuur niet wisten dat aan [Bedrijf 1] de naam van de verdachte was verbonden.
Met de verdediging, constateert het hof voorts dat de ten laste gelegde factuur gedeeltelijk een andere opmaak heeft dan een factuur van [Bedrijf 1] waarvan de echtheid niet wordt betwist, bijvoorbeeld D-3583. Op de tenlastegelegde factuur is wel het logo van [Bedrijf 1] weergegeven, maar niet tevens, zoals wel op de factuur D-3583, een kolom met contactgegevens van [Bedrijf 1] rechtsboven onder het logo. Bovendien sluit de factuurnummering op de tenlastegelegde factuur, gedateerd 31 juli 2001, (te weten: 001001) niet aan bij de factuurnummering op de factuur D-3583 van 1 maart 2001 (te weten: 010353). Dit alles kan naar het oordeel van het hof erop wijzen dat de factuur niet binnen de normale bedrijfsvoering (en/of op het eigen briefpapier) van [Bedrijf 1] is opgemaakt.
Opvallend is dat op de valse factuur een rekeningnummer is vermeld dat op naam staat van de verdachte, handelend onder de naam [Bedrijf 1], dat het gefactureerde bedrag de eerste betaling op die rekening betrof en dat dit op 3 augustus 2001 op die rekening gestorte geldbedrag diezelfde dag op verzoek van -zo acht ook hijzelf waarschijnlijk- de verdachte is overgeboekt naar de rekening van [Bedrijf 2], in welk bedrijf de verdachte een belang had. Het hof kan echter niet uitsluiten dat [betrokkene 1] die, uitgaande van de conceptjaarrekening van [Bedrijf 2], 40% van de aandelen zou hebben eveneens een belang had bij laatstgenoemde onderneming. De verdachte heeft verklaard dat hij en [betrokkene 1] betrokken waren bij de ontwikkeling van software in [Bedrijf 2] en dat [betrokkene 1] de financiële administratie van [Bedrijf 2] verzorgde. Volgens de verdachte was het daarom niet onmogelijk dat [betrokkene 1] hem heeft gebeld met de mededeling dat er geld aankwam bij [Bedrijf 1] voor [Bedrijf 2] en dat dit naar de rekening van [Bedrijf 2] moest worden overgemaakt. Nu [betrokkene 1] de administratie van [Bedrijf 2] verzorgde sluit het hof niet uit dat [betrokkene 1] hierdoor een mogelijkheid behield om over de op basis van de valse factuur verkregen gelden te kunnen beschikken. Weliswaar houden de verklaringen van de verdachte in dat [betrokkene 1] niet betrokken was bij de reguliere bedrijfsvoering van [Bedrijf 1] en dat alle (reguliere) facturen van [Bedrijf 1] door de verdachte of in zijn opdracht werden opgesteld, maar dit leidt zonder nader bewijs niet tot de conclusie dat het de verdachte moet zijn geweest die de
tenlastegelegdefactuur, op naam van [Bedrijf 1], heeft opgesteld dan wel heeft laten opstellen.
Nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de factuur heeft opgemaakt of dat hij als medepleger daarbij opzettelijk betrokken is geweest, zal het hof de verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.W.H.G. Loyson, mr. A.P.M. van Rijn en mr. R.M. Vennix, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Olthof, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 9 oktober 2014.
Mr. Vennix is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.