Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
Grief III en grief VI in principaal appelslagen.
grieven I, II, IV en V in principaal appelfalen.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak staat centraal of de door appellant gesloten effectenleaseovereenkomsten met Dexia rechtsgeldig zijn en of een beding dat betaling van resterende maandtermijnen bij voortijdige beëindiging voorschrijft, oneerlijk is. Appellant vordert vernietiging van het vonnis van de kantonrechter en stelt onder meer dwaling en bedrog aan de orde.
De feiten betreffen vijf leaseovereenkomsten uit 2001 waarbij appellant bedragen leende om effecten te kopen, met een restschuld na beëindiging. De kantonrechter wees deels de vorderingen van Dexia toe en wees de reconventionele vorderingen van appellant af. Het hof bevestigt dat de overeenkomsten rechtsgeldig zijn en dat appellant bekend was met de financiële lasten.
Het hof gaat ambtshalve na of het beding in de bijzondere voorwaarden, dat bij voortijdige beëindiging betaling van resterende termijnen eist, een oneerlijk beding is volgens Richtlijn 93/13 EEG. Omdat partijen hierover nog niet hebben geredeneerd, wordt de zaak aangehouden om hen in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten. Verder wordt verwezen naar eerdere jurisprudentie over toezichtregelgeving, dwaling en bedrog.
Het arrest is gewezen door drie raadsheren en op 30 september 2014 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het hof houdt de zaak aan voor nadere behandeling over de mogelijke oneerlijkheid van het beding betreffende contante betaling van resterende termijnen.