ECLI:NL:GHAMS:2013:CA0506
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- O.B. Onnes
- J.P. Kruimel
- D.J. de Korte
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verlengde navorderingstermijn bij verzwegen winst en buitenlandse bankrekening
In deze zaak stonden hogere beroepen van de inspecteur tegen uitspraken van de rechtbank Haarlem centraal, waarin de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 1997 tot en met 2001 aan belanghebbenden waren verminderd. De kern van het geschil betrof de vraag of de inspecteur bevoegd was om navorderingsaanslagen op te leggen op grond van artikel 16, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), dat een verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar mogelijk maakt voor bestanddelen van het belastbare inkomen die in het buitenland worden gehouden of zijn opgekomen.
Belanghebbenden hadden een onderneming in Nederland en ontvingen contante betalingen die niet in de administratie waren verwerkt en thuis werden bewaard. Deze gelden werden pas na beëindiging van de handelsactiviteiten naar een Luxemburgse bankrekening overgebracht. De rechtbank oordeelde dat de verzwegen winst een inkomensbestanddeel was dat in Nederland was opgekomen, zodat de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing was. Het hof onderschreef dit oordeel en verwierp het standpunt van de inspecteur dat de contante ontvangsten door het later storten op een buitenlandse rekening als in het buitenland opgekomen moesten worden beschouwd.
Het hof baseerde zich op de wettekst, parlementaire geschiedenis en jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin is bepaald dat de verlengde navorderingstermijn alleen geldt voor inkomsten die daadwerkelijk in het buitenland zijn verkregen of op een buitenlandse rekening zijn ontvangen. Het feit dat de gelden na verkrijging werden overgeboekt naar Luxemburg, rechtvaardigt geen toepassing van deze termijn. De navorderingsaanslagen werden daarom slechts in zoverre in stand gelaten als zij betrekking hadden op het tegoed en de inkomsten op de Luxemburgse bankrekening.
Daarnaast veroordeelde het hof de inspecteur in de proceskosten van belanghebbenden en legde een griffierecht op. De uitspraak bevestigt de eerdere uitspraken van de rechtbank en geeft duidelijkheid over de uitleg van het begrip "in het buitenland opgekomen" in de context van de navorderingstermijn.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de verlengde navorderingstermijn niet van toepassing is op verzwegen winst die in Nederland is behaald en pas later op een buitenlandse bankrekening is gestort.