ECLI:NL:GHAMS:2013:5236

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
17 september 2013
Publicatiedatum
30 juni 2014
Zaaknummer
200.111.498/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afwijzing vorderingen in kort geding tussen Lemeey III B.V. en Roma Beheer B.V.

In deze civiele zaak in hoger beroep gaat het om een geschil tussen Lemeey III B.V. en Roma Beheer B.V. over diverse vorderingen in een kort geding en de bodemprocedure. Na eerdere tussenarresten heeft het hof de stand van zaken beoordeeld waarbij de rechtbank in een tussenvonnis bepaalde dat Lemeey zich kan beroepen op een opschortingsrecht ten aanzien van de vorderingen van Roma.

Dit opschortingsrecht leidt ertoe dat de primaire en subsidiaire vorderingen van Roma worden afgewezen, omdat deze vorderingen betrekking hebben op betaling van geldsommen die door de lopende bodemprocedure worden beïnvloed. Daarnaast vordert Roma dat Lemeey voldoet aan een eis uit een Vendor Loan overeenkomst betreffende het aanhouden van een eigen vermogen van minimaal € 5.000.000,-. Lemeey betwist dit en het hof oordeelt dat Roma deze betwisting onvoldoende heeft weerlegd, waardoor ook deze vordering wordt afgewezen.

Het hof vernietigt het bestreden vonnis en wijst alle vorderingen van Roma af. Tevens veroordeelt het hof Roma in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, met een specificatie van verschotten en salaris advocaat, te vermeerderen met wettelijke rente bij niet tijdige betaling. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Alle vorderingen van Roma Beheer B.V. worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel en belastingrecht
zaaknummer hof: 200.111.498/01 SKG
zaaknummer/rolnummer rechtbank: 519508/KG ZA 112-836
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 september 2013
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LEMEEY III B.V.,
gevestigd te Voorthuizen,
APPELLANTE,
advocaat:
mr. T.S. Jansente Amsterdam,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
ROMA BEHEER B.V.,
GEÏNTIMEERDE,
advocaat:
mr. J. Hagerste Amsterdam.
Partijen zullen hierna wederom Lemeey en Roma worden genoemd.

1.Het verdere geding in hoger beroep

Het hof heeft op 6 november 2012 en 9 april 2013 tussenarresten gewezen. Voor het verloop van de zaak tot laatstgenoemde datum wordt naar het bewuste tussenarrest verwezen.
Ten vervolge op meerbedoeld tussenarrest heeft Lemeey een akte overlegging productie tevens uitlating na tussenarrest genomen. Roma heeft daarop met een akte uitlating tussenarrest gereageerd.
Daarop is wederom arrest gevraagd.

2.De verdere beoordeling van het geschil

2.1
De rechtbank heeft haar tussenvonnis van 27 februari 2013 in de gevoegde bodemzaken tussen, enerzijds, Roma als eisende partij tegen Lemeey en, anderzijds, Lemeey als eisende partij tegen Roma, als volgt inhoudelijk afgesloten:
“Na het voorgaande is de stand van zaken aldus, dat de opeisbare vordering van Roma ook de hoofdsommen van de leningen omvat (…), maar dat Lemeey zich ten belope van de door haar - in de zaak Lemeey - in rechte ingestelde vorderingen op opschorting kan beroepen totdat in de zaak Lemeey is beslist. Nu laatstgenoemde vorderingen de vorderingen van Roma inmiddels overtreffen, is het lot van de vorderingen van Roma thans dan ook afhankelijk van hetgeen in de zaak Lemeey zal worden beslist.”
Dit oordeel in de bodemzaak brengt met zich dat de primaire vordering, de subsidiaire vordering, de meer subsidiaire vordering en de meer meer subsidiare vordering sub b (zie het tussenvonnis van 6 november 2012 sub 4.2) alle afgewezen dienen te worden. Het gaat hier immers steeds om vorderingen tot betaling van een geldsom, aan toewijzing waarvan het in de geciteerde overweging bedoelde opschortingsrecht van Lemeey voorshands in de weg staat. Voor de goede orde: de rechtbank heeft in de zaak Lemeey (zoals bedoeld door de rechtbank de hiervoor aangehaalde overweging) nog niet beslist.
2.2
Resteert de meer meer subsidiaire vordering sub a. Daarin vordert Roma dat een zodanige voorziening wordt getroffen dat alsnog wordt voldaan aan de in artikel 4.1 onder c van de Vendor Loan gestelde eis van het aanhouden (door Lemeey) van een eigen vermogen van minimaal € 5.000.000,-. Lemeey heeft betwist dat aan bedoelde eis door haar niet zou zijn voldaan. Na het tussenarrest van 6 november 2012 heeft Lemeey die betwisting bij haar akte van 20 november 2012 nader geadstrueerd. Het hof acht meerbedoelde betwisting niet afdoende weerlegd door de reactie daarop van Roma in haar akte van 4 december 2012. Dit betekent dat ook vorenbedoelde vordering niet toewijsbaar is.
2.3
In het licht van het voorgaande bestaat geen aanleiding tot het treffen van enige andere voorziening. Anders gezegd: ook de meest subsidiaire vordering zal worden afgewezen.
2.4
Een en ander leidt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot alsnog afwijzing van alle vorderingen van Roma, met veroordeling van haar in de kosten van beide procedures.

3.Beslissing

Het hof:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep;
wijst de vorderingen van Roma alle af;
veroordeelt Roma in de kosten van de eerste aanleg, aan de zijde van Lemeey begroot op € 3.621,- aan verschotten en € 2.448,- aan salaris, te vermeerderen met wettelijke rente indien Roma die kosten niet binnen veertien dagen na datum van dit arrest zal hebben voldaan;
veroordeelt Roma in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Lemeey tot op heden begroot op € 4.912,17 aan verschoten en € 18.320,- aan salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente indien Roma die kosten niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest zal hebben voldaan;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. M.A. Goslings, E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell en J.W. Hoekzema en in het openbaar door de rolraadsheer uitgesproken op 17 september 2013.