ECLI:NL:GHAMS:2013:4846
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vervolging wegens bezit vervalst reisdocument bij subsidiaire bescherming
De verdachte werd beschuldigd van het bezit van een vals of vervalst reisdocument op Schiphol rond 9 maart 2008. In eerste aanleg werd hij veroordeeld, maar het hof kwam tot een andere beoordeling.
De verdachte had een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd gekregen op basis van artikel 29, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000, en later omgezet in een vergunning voor onbepaalde tijd. Het hof overwoog dat op grond van artikel 31 van Pro het Vluchtelingenverdrag en recente jurisprudentie het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is wanneer een vreemdeling met subsidiaire bescherming zich verweert tegen vervolging wegens bezit van vervalste documenten.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging, omdat de verdachte bescherming geniet die vergelijkbaar is met die van vluchtelingen onder het Vluchtelingenverdrag. Hierdoor behoort hij niet strafrechtelijk vervolgd te worden voor het bezit van vervalste documenten in het kader van zijn vlucht naar Nederland.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging wegens bezit van vervalst reisdocument vanwege verleende subsidiaire bescherming.