Op 13 september 2008 werd verdachte op Schiphol aangehouden met een contant geldbedrag van €25.995, voornamelijk bestaande uit 51 biljetten van €500. Verdachte deed geen aangifte bij de douane en gaf aanvankelijk een lager bedrag op dan daadwerkelijk werd aangetroffen. Hij kon geen concrete, verifieerbare verklaring geven over de herkomst van het geld.
Het hof stelde vast dat er geen direct bewijs was dat het geld uit een misdrijf afkomstig was, maar op basis van feiten zoals het ontduiken van de meldingsplicht, het vervoeren van grote coupures en het ontbreken van bewijs voor de herkomst, was er een redelijk vermoeden van witwassen. De verklaring van verdachte over de verkoop van een restaurant in Belgrado werd onvoldoende geacht vanwege gebrek aan bewijs en onwaarschijnlijkheden.
De rechtbank had een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd, maar het hof oordeelde dat gezien de ernst van het feit en de hoeveelheid geld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend was. Het hof veroordeelde verdachte tot 2 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf en verklaarde het geld en de biljetten verbeurd.
Er was geen sprake van schending van de redelijke termijn en verdachte had geen eerdere veroordelingen. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd en het hof sprak verdachte vrij voor zover het meer of anders ten laste gelegde betreft.