ECLI:NL:GHAMS:2011:BV1610
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J. den Boer
- E.A.G. van der Ouderaa
- H.E. Kostense
- Rechtspraak.nl
Beoordeling belastbaarheid schadeloosstelling als inkomen uit aanmerkelijk belang
Belanghebbende, samen met zijn broers grootaandeelhouder van [C] B.V., ontving een schadeloosstelling van NLG 10.000.000 als compensatie voor het verminderen van hun dividendrechten ten gunste van [H] B.V. Deze overeenkomst uit 2001 was onder de opschortende voorwaarde dat een dochtervennootschap een minimale winst behaalde, wat in 2002 gebeurde.
De inspecteur belastte een evenredig deel van deze schadeloosstelling in het jaar 2004 als inkomen uit aanmerkelijk belang. Belanghebbende betwistte dit en stelde dat het voordeel niet als regulier of vervreemdingsvoordeel kon worden aangemerkt onder de Wet IB 2001, verwijzend naar eerdere wetgeving en jurisprudentie.
Het hof oordeelde dat het voordeel moet worden beschouwd als een vervreemdingsvoordeel in de zin van artikel 4.12, onderdeel b, van de Wet IB 2001. De wetsgeschiedenis en parlementaire toelichting ondersteunen dat dergelijke schadeloosstellingen voortaan als vervreemdingsvoordeel worden belast. Het hof verwierp het betoog dat het voordeel niet belastbaar zou zijn en bevestigde het vonnis van de rechtbank Haarlem.
De schadeloosstelling werd terecht in 2004 in het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang opgenomen. Het hof zag geen aanleiding voor een kostenveroordeling en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de schadeloosstelling in 2004 als vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang belastbaar is.