ECLI:NL:GHAMS:2011:BT6539
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- G.H. van Asperen
- R.E. de Winter
- M. Gonggrijp-van Mourik
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring OM wegens schijn van belangenverstrengeling bij vervolgingsbeslissing politieparketsecretaris
De verdachte werd beschuldigd van het beledigen van een opsporingsambtenaar door het tonen van een middelvinger tijdens diens rechtmatige dienst op 16 augustus 2007 in Amsterdam. De vervolgingsbeslissing en dagvaarding werden genomen door een politieparketsecretaris die een directe collega was van het slachtoffer.
De raadsman van de verdachte voerde aan dat deze situatie de schijn van belangenverstrengeling wekte en daarmee in strijd was met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Tevens werd aangevoerd dat de verdachte niet conform richtlijnen een transactie had aangeboden gekregen.
Het hof oordeelde dat hoewel de politieparketsecretaris op grond van mandaat bevoegd was tot vervolging, in dit specifieke geval onvoldoende was voorkomen dat de schijn van belangenverstrengeling werd gewekt. Dit leidde tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging.
Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep en deed opnieuw recht, waarbij het openbaar ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard. De overige aangevoerde verweren behoefden geen bespreking meer.
De uitspraak werd gedaan door de negende meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 28 september 2011.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging wegens schijn van belangenverstrengeling.