Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2013:947

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 oktober 2013
Publicatiedatum
15 oktober 2013
Zaaknummer
11/04798
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 126 ROArt. 167 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest Hof Amsterdam over niet-ontvankelijkverklaring OM wegens schijn van belangenverstrengeling

In deze zaak stond centraal of het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk verklaard kon worden omdat de vervolgingsbeslissing was genomen door een politieparketsecretaris die een directe collega was van het slachtoffer, waardoor een schijn van belangenverstrengeling zou ontstaan. Het Hof Amsterdam oordeelde dat deze schijn onvoldoende werd weggenomen en verklaarde het OM niet-ontvankelijk in de vervolging.

De Hoge Raad herhaalt het toepasselijke recht, waarbij het OM een ruime vervolgingsbevoegdheid heeft en niet-ontvankelijkverklaring slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden uitgesproken, namelijk wanneer geen redelijk handelend OM-lid kan oordelen dat strafrechtelijke handhaving gerechtvaardigd is. De uitoefening van de bevoegdheid door de politieparketsecretaris valt onder het mandaat van de officier van justitie en is daarmee gelijkgesteld.

De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ofwel een onjuiste rechtsopvatting had door de schijn van belangenverstrengeling als voldoende grond te zien voor niet-ontvankelijkheid, ofwel onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dit uitzonderlijke geval zich voordeed. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak terug naar het Hof Amsterdam voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

15 oktober 2013
Strafkamer
nr. 11/04798
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 september 2011, nummer 23/006656-07, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de Advocaat-Generaal bij het Hof. Deze heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsman van de verdachte, mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft het beroep tegengesproken.
De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv Pro gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt over de beslissing van het Hof tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging.
2.2.
Het Hof heeft die beslissing als volgt gemotiveerd:
"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte - kort gezegd - aangevoerd dat in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde de vervolgingsbeslissing is genomen door een politieparketsecretaris, nu dat betekent dat de vervolgingsbeslissing is genomen door een collega van de aangever in deze zaak en aldus minst genomen de schijn van vooringenomenheid is gewekt. De raadsman heeft geconcludeerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging.
(...)
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Op 16 augustus 2007 heeft politieparketsecretaris [verbalisant] in de onderhavige zaak de vervolgingsbeslissing genomen en de dagvaarding opgemaakt.
Het hof is - met de raadsman en de advocaat-generaal - van oordeel dat de politie-parketsecretaris [verbalisant] (gelet op de artikelen 126 van de Wet op de Rechterlijke Organisatie en 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, zoals deze moeten worden begrepen in het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad) op grond van mandaat bevoegd was namens de officier van justitie in voorkomende gevallen tot strafvervolging te beslissen en dagvaardingen op te maken. Waar het in het onderhavige geval evenwel gaat om een delict dat zou zijn begaan tegen een directe collega van [verbalisant] tijdens en in verband met de werkzaamheden van die collega, is het hof van oordeel dat met de uitoefening van de aan [verbalisant] gemandateerde vervolgingsbevoegdheid in dit geval in onvoldoende mate wordt voorkomen dat een schijn van belangenverstrengeling wordt gewekt. Onder die omstandigheid is het gebruik van deze bevoegdheid naar 's hofs oordeel in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, zodat het verweer van de raadsman slaagt en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging van de verdachte.
Hetgeen verder door de raadsman is aangevoerd, behoeft bij deze stand van zaken geen bespreking."
2.3.
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat in art. 167, eerste lid, Sv aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Een uitzonderlijk geval als zojuist bedoeld doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Indien een rechter tot het oordeel komt dat sprake is van zo een geval waarin het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, gelden voor deze beslissing zware motiveringseisen. (Vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280, NJ 2013/109.)
2.4.
In dit geval is namens de Officier van Justitie de vervolgingsbeslissing genomen en is de dagvaarding opgemaakt door de politieparketsecretaris [verbalisant]. Onweersproken is dat deze daartoe op de voet van art. 126 (oud) RO bevoegd was. Gelet op het tweede lid van die bepaling, dat luidde: "De opgedragen bevoegdheid wordt in naam en onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie (...) uitgeoefend", geldt hetgeen hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld evenzeer voor de hier door de politieparketsecretaris krachtens mandaat uitgeoefende bevoegdheid.
2.5.
Het Hof heeft, ervan uitgaande dat de vervolgingsbeslissing een delict betreft dat is begaan tegen een "directe collega" van de politieparketsecretaris tijdens en in verband met de werkzaamheden van die collega, geoordeeld dat het Openbaar Ministerie niet in de vervolging kan worden ontvangen omdat met de uitoefening van de aan de politieparketsecretaris gemandateerde vervolgingsbevoegdheid "in dit geval in onvoldoende mate wordt voorkomen dat een schijn van belangenverstrengeling wordt gewekt" en dat "onder die omstandigheid (...) het gebruik van deze bevoegdheid (...) in strijd [is] met de beginselen van een behoorlijke procesorde".
Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld, geeft dat oordeel ofwel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ofwel is het ontoereikend gemotiveerd. Indien het Hof heeft geoordeeld dat reeds de enkele omstandigheid dat een op deze wijze gewekte schijn van belangenverstrengeling in de weg staat aan de bevoegdheid van het Openbaar Ministerie tot vervolging, heeft het de hiervoor onder 2.3 weergegeven - tot terughoudendheid nopende - maatstaf miskend. Indien het die maatstaf niet heeft miskend en heeft beoogd tot uitdrukking te brengen dat zich een van die uitzonderlijke gevallen voordoet waarin het instellen van de vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, heeft het Hof niet voldaan aan de voor die beslissing geldende zware motiveringseisen.
2.6.
Het middel is terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
15 oktober 2013.