ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ7213
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering heffingskortingen wegens onvoldoende inschrijving kind in basisadministratie
In deze zaak staat centraal of eiser recht heeft op de kinderkorting, de aanvullende kinderkorting, de alleenstaande-ouderkorting en de aanvullende alleenstaande-ouderkorting voor het jaar 2006. Eiser heeft een dochter die slechts van 26 oktober 2006 tot en met 31 december 2006 in de basisadministratie op zijn adres stond ingeschreven, minder dan de vereiste zes maanden. Hoewel eiser stelt dat hij vanaf 15 april 2006 de volledige zorg had, is het feitelijke woonadres van het kind niet bepalend volgens de wet en parlementaire geschiedenis.
De rechtbank heeft de aanslag van de Belastingdienst gehandhaafd en het beroep van eiser ongegrond verklaard. Het hof sluit zich hierbij aan en bevestigt dat de inschrijving in de basisadministratie het criterium is voor het recht op de heffingskortingen. De aanvullende alleenstaande-ouderkorting is afhankelijk van de toekenning van de alleenstaande-ouderkorting en de aanvullende kinderkorting is per 1 januari 2006 vervallen.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen. De uitspraak is op 28 april 2011 in het openbaar uitgesproken door het Gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de heffingskortingen bevestigd.