ECLI:NL:GHAMS:2010:BN9626
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J. den Boer
- E.A.G. van der Ouderaa
- H.E. Kostense
- Rechtspraak.nl
Beoordeling latente bestemmingswijzigingswinst en waardering ondergrond agrarisch erf
Deze zaak betreft het hoger beroep van de inspecteur en het incidenteel hoger beroep van belanghebbenden tegen een uitspraak van de rechtbank Haarlem inzake de vaststelling van de latente bestemmingswijzigingswinst per 31 maart 1986 van de ondergrond van een agrarisch erf met bedrijfsgebouwen. De kern van het geschil is of er op die peildatum een verschil bestond tussen de waarde in het economisch verkeer (WEV) en de waarde in het economisch verkeer bij agrarische bestemming (WEVAB) van de grond, en zo ja, hoe hoog dat verschil was.
De rechtbank had de vrijgestelde bestemmingswijzigingswinst vastgesteld op €11.345, waarbij zij het door belanghebbenden overgelegde taxatierapport van 11 juli 2007 onvoldoende bruikbaar achtte voor een exacte waardebepaling. Het hof bevestigt dit oordeel en overweegt dat belanghebbenden onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat het verschil tussen WEV en WEVAB hoger was dan vastgesteld. De inspecteur stelde dat de waarde van de bedrijfsgebouwen in 1986 hoger was dan die van de woning en dat dit verschil in 2003 was omgekeerd, maar het hof acht dit onvoldoende onderbouwd om af te wijken van de rechtbank.
Het hof benadrukt dat het aan belanghebbenden is om aannemelijk te maken dat er op de peildatum een verschil tussen WEV en WEVAB bestond. Hoewel het hof erkent dat er in 1986 particuliere belangstelling was voor boerderijen in het landelijk gebied, acht het de door belanghebbenden aangevoerde waarderingsgegevens onvoldoende concreet en vergelijkbaar om een hoger bedrag vast te stellen. Het hof wijst ook op het verrekenbeding in de bedrijfsoverdracht van 1985, waardoor de koopprijs mogelijk lager lag dan de marktwaarde.
De slotsom is dat het hof het hoger beroep van de inspecteur en het incidenteel hoger beroep van belanghebbenden ongegrond verklaart en de uitspraak van de rechtbank bevestigt, met een verbetering van de motivering. Daarnaast veroordeelt het hof de inspecteur tot vergoeding van proceskosten van belanghebbenden voor de bezwaarfase en de procedure bij het hof.
Uitkomst: Het hof bevestigt de rechtbankuitspraak en stelt de latente bestemmingswijzigingswinst per 31 maart 1986 vast op €11.345.