ECLI:NL:GHAMS:2010:BN2057
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale toelaatbaarheid van administratiekostenreserve bij levensverzekeraar
Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 22 juli 2010 uitspraak gedaan in het hoger beroep van de inspecteur tegen de rechtbank Haarlem inzake de fiscale behandeling van de administratiekostenreserve (AKR) van een levensverzekeraar voor het jaar 2004.
De kern van het geschil betrof de vraag of de vorming van een AKR fiscaal is toegestaan op grond van het Convenant uit 1969, het Besluit reserve verzekeraars (BRV) en het Besluit winstbepaling en reservering verzekeraars 2001 (BWRV). De rechtbank had de vorming van de AKR toegestaan, mede op basis van het Memorandum en jurisprudentie. Het hof oordeelde echter dat het Convenant en de daarop gebaseerde besluiten geen zelfstandige grondslag bieden voor de AKR en dat de inspecteur niet onrechtmatig handelde door vanaf 2004 geen dotaties meer toe te staan.
Daarnaast stond centraal of de administratiekosten waarop de AKR betrekking heeft voldoende bepaalbaar en aanwijsbaar zijn binnen de administratie van belanghebbende. Het hof concludeerde dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de kosten zodanig zijn gespecificeerd en vastgelegd dat de AKR als uitstelpost voor winstneming gerechtvaardigd is. De administratie is niet ingericht om de relevante kosten afzonderlijk te onderscheiden, en de ontvangen kostenopslagen zijn niet gesplitst naar eerste en doorlopende kosten.
Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de beslissing van de inspecteur. Tevens veroordeelde het hof de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende. Tegen deze uitspraak staat cassatie open bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat de inspecteur terecht vanaf 2004 geen dotaties meer aan de administratiekostenreserve toestaat wegens onvoldoende bepaalbaarheid van de kosten.