ECLI:NL:PHR:2011:BQ6163
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid van administratiekostenreserve bij levensverzekeraars volgens BWRV en goed koopmansgebruik
De zaak betreft de fiscale behandeling van de administratiekostenreserve (AKR) door een levensverzekeraar binnen een fiscale eenheid. De belanghebbende vormde een AKR voor administratiekosten die in de premievrije periode worden gemaakt, als onderdeel van de premiereserve, volgens de nettomethode zoals voorgeschreven in het BWRV 2001. De Inspecteur verbood vanaf 2004 verdere dotaties aan de AKR, waarna de belanghebbende bezwaar maakte en in beroep ging.
De Rechtbank oordeelde dat de vorming van een AKR op grond van het BWRV is toegestaan, mede gelet op het Convenant van 1969 en het daarop gebaseerde Memorandum. Het Hof stelde echter dat het BWRV de nettomethode imperatief voorschrijft en dat de AKR niet zelfstandig betekenis heeft binnen het Convenant of het BWRV. Het Hof oordeelde verder dat de belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de administratiekosten waarop de AKR betrekking heeft voldoende specifiek en realistisch zijn onderscheiden in de administratie, waardoor de AKR niet toelaatbaar is.
De Procureur-Generaal concludeert dat de inventarismethode, een variant op de nettomethode inclusief de AKR, als een specifieke invulling van de nettomethode kan worden beschouwd. De belanghebbende draagt de bewijslast voor de toelaatbaarheid van de AKR en het Hof heeft terecht geoordeeld dat onvoldoende inzicht is gegeven in de dotaties en onttrekkingen van de AKR. De AKR kan niet worden gepassiveerd als vooruitontvangen vergoeding, maar mogelijk als transitorische winstuitstelpost mits de kosten behoorlijk aanwijsbaar zijn. Het Hof heeft een juiste maatstaf gehanteerd en het oordeel is niet onbegrijpelijk. Middel 1 slaagt, middelen 2 t/m 4 falen, en middel 5 behoeft geen behandeling.
De conclusie bevestigt dat de AKR alleen fiscaal aanvaardbaar is indien de kosten waarop deze betrekking heeft voldoende bepaalbaar en gespecificeerd zijn, en dat de belanghebbende dit aannemelijk moet maken. De zaak benadrukt de noodzaak van een gedegen administratieve organisatie en transparantie bij het vormen van dergelijke reserves.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de administratiekostenreserve alleen fiscaal aanvaardbaar is indien de kosten voldoende bepaalbaar zijn en de belanghebbende dit aannemelijk maakt.