ECLI:NL:GHAMS:2010:BM9456
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Betwisting eigendom en bestemming van gelden na faillissement in hoger beroep
In deze civiele zaak staat centraal of een bedrag van €220.326,21, dat door [W] werd overgemaakt naar een derdenrekening van advocaat [V], toebehoorde aan de failliete [B] of slechts tijdelijk ter beschikking werd gesteld ten behoeve van schuldeisers. [B] was in juni 2005 failliet verklaard na het opereren zonder vergunning en het uitlenen van grote geldbedragen in een piramidestructuur.
De curator stelt dat het bedrag onderdeel was van het faillissementsvermogen van [B], terwijl [V] c.s. betogen dat het geld van [W] was, die het tijdelijk ter beschikking stelde voor het voldoen van schuldeisers. Het hof weegt verklaringen, correspondentie en administratie en concludeert voorlopig dat het bedrag als betaling aan [B] moet worden beschouwd, waardoor het tot diens vermogen behoort.
Het hof acht het relevant waarover partijen – met name [W] en [B] – wilsovereenstemming hebben bereikt en stelt vast dat het vermoeden van eigendom bij [B] ligt, maar geeft [V] c.s. de mogelijkheid tegenbewijs te leveren. Het getuigenverhoor wordt aangewezen en verdere beslissingen worden aangehouden.
Uitkomst: Het hof oordeelt voorlopig dat het bedrag tot het faillissementsvermogen behoort en stelt partijen in de gelegenheid tegenbewijs te leveren; verdere beslissing wordt aangehouden.