ECLI:NL:GHAMS:2010:BM3066
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vorderingen tot herstel en ontruiming na verbouwingen in gehuurd pand
In deze civiele zaak stond centraal de vraag of huurder A na bezichtiging van het pand door koper D ingrijpende verbouwingen had uitgevoerd die rechtvaardigen dat koper de koop ontbindt en eigenaar B herstel vordert. B verkocht het pand aan D, waarbij D het pand vooraf bezichtigde. A had in 2004 zonder toestemming van B de bel-etage gerenoveerd en in 2009 zonder toestemming begonnen met verbouwingen op de begane grond.
B vorderde in kort geding onder meer herstel van de oude staat, betaling van een contractuele boete en ontruiming van het gehuurde. De voorzieningenrechter kende een voorschot toe op herstelkosten. Het hof oordeelde dat onvoldoende aannemelijk was dat A na bezichtiging ingrijpende verbouwingen had verricht die de koopovereenkomst rechtvaardigen te weigeren of herstel te vorderen. Ook was onduidelijk welke kosten gemoeid zouden zijn met herstel.
Het hof verwierp de vorderingen van B en stelde dat de verbouwingen uit 2004 niet tot herstel verplichten omdat B destijds geen bezwaar maakte. De vermeende waardevermeerdering door A werd betwist, maar ook een waardevermindering was onvoldoende aangetoond. De incidentele vordering tot ontruiming werd eveneens afgewezen. B werd veroordeeld in de kosten van het geding.
Uitkomst: De vorderingen van B tot herstel, boete en ontruiming worden afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van de verbouwingen na bezichtiging.