ECLI:NL:GHAMS:2010:BM0724
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen oplegging vergrijpboete omzetbelasting wegens vermeende opzet of grove schuld
Belanghebbende, een vennootschap onder firma, kreeg een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over 2005 met daarbij een vergrijpboete wegens vermeende opzet of grove schuld. De inspecteur stelde dat belanghebbende onjuiste gegevens aan haar adviseur had verstrekt, wat leidde tot een te hoog teruggevraagd bedrag aan voorbelasting. Tevens werd betoogd dat de administratie niet op orde was en dat belanghebbende de door de adviseur ingediende aangiften had moeten controleren.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en vernietigde de boetebeschikking. In hoger beroep bevestigde het Hof deze uitspraak. Het Hof oordeelde dat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat belanghebbende opzettelijk of door grove schuld onjuiste gegevens had verstrekt. Ook was onvoldoende vastgesteld dat de administratie van belanghebbende de oorzaak was van de foutieve aangiften.
Het Hof verwees naar jurisprudentie van de Hoge Raad dat een belastingplichtige die zich laat bijstaan door een deskundige adviseur niet verplicht is zich zelf in de inhoudelijke aspecten van de belastingregelgeving te verdiepen, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat de adviseur niet zorgvuldig handelt. De inspecteur had onvoldoende feiten gesteld om te betogen dat belanghebbende aan deze zorgvuldigheidseis niet voldeed.
Daarmee was het bewijs voor opzet of grove schuld niet geleverd en werd de boete ten onrechte opgelegd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: De vergrijpboete is onterecht opgelegd en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.