ECLI:NL:GHAMS:2010:BL7056
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- E.A.G. van der Ouderaa
- J. den Boer
- P.F. Goes
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aftrekbaarheid Europese mededingingsboete door Nederlandse belastingplichtige
In deze zaak staat centraal of een Nederlandse belastingplichtige het doorbelaste gedeelte van een door de Europese Commissie aan haar concernonderdeel opgelegde mededingingsboete mag aftrekken van haar belastbare winst. De boete is opgelegd wegens deelname aan een kartel in de gipsplaatsector, waarbij het concern een boete van 85,8 miljoen euro kreeg opgelegd, waarvan circa 2,5 miljoen euro aan de belanghebbende werd doorbelast.
De rechtbank Haarlem oordeelde dat de boete deels een bestraffend en deels een voordeelontnemend karakter heeft, waardoor het voordeelontnemende deel aftrekbaar zou zijn. De inspecteur en de Europese Commissie betwistten dit standpunt, stellende dat de boete als geheel een punitief karakter heeft en niet gesplitst kan worden.
Het Hof stelt vast dat de Europese Commissie bevoegd is om in fiscale procedures schriftelijke opmerkingen te maken en dat de boete als een geldboete van een EU-instelling onder de aftrekuitsluiting van artikel 3.14, eerste lid, onderdeel c, Wet IB 2001 valt. Het Hof oordeelt dat het onderscheid tussen bestraffend en voordeelontnemend gedeelte niet kan worden gemaakt en dat de boete in zijn geheel niet aftrekbaar is. Ook het doorbelaste deel aan de belanghebbende is niet aftrekbaar. Het Hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: De door de Europese Commissie opgelegde mededingingsboete, inclusief het aan belanghebbende doorbelaste deel, is niet aftrekbaar van de belastbare winst.