ECLI:NL:GHAMS:2010:BL1994

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
8 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.041.168-01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 288 lid 2 sub d Fw
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing van het verzoek tot hernieuwde toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling binnen tien jaar

Appellant heeft verzocht om opnieuw toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling, terwijl hij binnen tien jaar na beëindiging van een eerdere regeling zit. De rechtbank wees dit verzoek af op grond van artikel 288 lid 2 sub d van Pro de Faillissementswet, omdat de eerdere regeling was beëindigd wegens het niet nakomen van verplichtingen zoals het verstrekken van informatie aan de bewindvoerder en het ontstaan van een boedelachterstand.

Appellant stelde zich niet op het standpunt dat sprake was van de uitzonderingsgrond dat de schuldenaar bovenmatige schulden had doen of laten ontstaan zonder dat hem dit kon worden toegerekend. Het hof bevestigt dat deze uitzonderingsgrond niet van toepassing is, mede omdat appellant geen hoger beroep had ingesteld tegen de eerdere beëindiging van de schuldsaneringsregeling.

Het hoger beroep is behandeld op 3 november en 1 december 2009, waarna het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigt. Het arrest is gewezen door drie rechters en op 8 januari 2010 uitgesproken. Tegen dit arrest staat beroep in cassatie open binnen acht dagen na uitspraak.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de afwijzing van het verzoek tot hernieuwde toelating tot de schuldsaneringsregeling binnen tien jaar.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST van 8 januari 2010 in de zaak met zaaknummer 200.041.168/01 van:
APPELLANT,
advocaat: mr. S. Steenbeek-Nauta te Blaricum.
1. Het geding in hoger beroep
1.1 Appellant is bij per fax op 25 augustus 2009 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2009 met rekestnummer 430098/FT-RK 09.1058, waarbij het verzoek van appellant tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen.
1.2 Het hoger beroep is behandeld ter terechtzittingen van 3 november 2009 en 1 december 2009, waarvan processen-verbaal zijn opgemaakt. Vervolgens is de zaak pro forma aangehouden tot 22 december 2009, teneinde de na te noemen heer Lassing in de gelegenheid te stellen een in het proces-verbaal van 1 december 2009 genoemde brief aan het hof toe te zenden. Laatstgenoemde heeft – onder meer – die brief bij brief van 2 december 2009 aan het hof toegezonden, waarop de advocaat van appellant bij brief aan het hof van 21 december 2009 heeft gereageerd.
2. De gronden van de beslissing
2.1 De rechtbank heeft in de beslissing waarvan beroep het verzoek van appellant om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling overeenkomstig artikel 288 lid 2 sub d van Pro de Faillissementswet (Fw) afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat ten aanzien van appellant eerder de schuldsaneringsregeling van toepassing is geweest, die is beëindigd binnen tien jaar voor de indiening van het aan de orde zijnde verzoek van appellant om opnieuw de schuldsaneringsregeling van toepassing te verklaren. Die eerdere schuldsaneringsregeling is – aldus de rechtbank in de beslissing waarvan beroep – beëindigd omdat appellant de bewindvoerder onvoldoende informatie had verstrekt en omdat hij een boedelachterstand had laten ontstaan. Van een uitzondering als genoemd in artikel 288 lid 2 onder Pro d Fw is volgens de rechtbank niet gebleken.
2.2 In hoger beroep is het volgende gebleken.
2.2.1 Op appellant is eerder een schuldsaneringsregeling van toepassing geweest, te weten in de periode van 1 juli 2002 tot 9 juni 2004. Appellant heeft tegen de overgelegde beslissing van de rechtbank van 9 juni 2004 tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling geen hoger beroep ingesteld.
2.2.2. Het hof overweegt als volgt.
Artikel 288 lid 2 sub d Fw Pro houdt voor een geval als dit in dat het verzoek om opnieuw tot de schuldsaneringsregeling te worden toegelaten wordt afgewezen, tenzij – voorzover hier van belang – de schuldsaneringsregeling destijds is beëindigd omdat de schuldenaar bovenmatige schulden had doen of laten ontstaan om redenen die de schuldenaar niet waren toe te rekenen.
In het onderhavige geval is van een dergelijke uitzonderingssituatie niet gebleken. Blijkens de beslissing van de rechtbank van 9 juni 2004 – waartegen appellant geen hoger beroep heeft ingesteld – is de schuldsaneringsregeling toen niet beëindigd omdat appellant bovenmatige schulden had doen of laten ontstaan, maar omdat hij – zoals hij blijkens de beslissing van 9 juni 2004 had erkend – niet aan zijn verplichting tot afdracht aan de boedel had voldaan ( hetgeen ziet op het niet nakomen van een andere verplichting dan die tot het niet doen of laten ontstaan van bovenmatige schulden) en aangezien hij – zoals hij eveneens had erkend - niet zijn verplichting tot het verstrekken van de benodigde informatie aan de bewindvoerder had nageleefd, hetgeen eveneens ziet op het niet nakomen van een andere verplichting dan die waarop de in de wet genoemde uitzonderingsbepaling het oog heeft. Ten overvloede kan nog worden opgemerkt dat onvoldoende aannemelijk is geworden – het blijkt ook niet uit de beslissing van 9 juni 2004 – dat het aan appellant door de rechtbank verweten niet voldoen aan de inlichtingenverplichting betrekking zou hebben gehad op de kennelijk eerst bij de beëindigingszitting van 26 mei 2004 ter sprake gekomen schuld aan de Banco di Caribe die in de stukken wordt genoemd.
2.2.3. Uit het bovenstaande vloeit voort dat de beslissing van de rechtbank moet worden bekrachtigd.
3. De beslissing
Het hof:
- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. S. Clement, A. Bockwinkel en R.H. de Bock en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 8 januari 2010 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.