ECLI:NL:GHAMS:2009:BL4232
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Tuchtklacht tegen gerechtsdeurwaarder wegens onrechtmatige ontvangst en vasthouden van betalingen van Pensioen en Uitkeringsraad
In deze zaak staat centraal of een gerechtsdeurwaarder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door gedurende dertien maanden betalingen van de Pensioen en Uitkeringsraad (PUR) te ontvangen zonder dat hij daarvoor een nieuw executoriaal beslag had gelegd. De gerechtsdeurwaarder stelde dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de betalingen verband hielden met een bevel tot betaling van achterstallige alimentatie, maar het hof oordeelde dat de PUR hem had geïnformeerd over andere beslagen die op klager rustten.
Het hof stelde vast dat de gerechtsdeurwaarder had moeten begrijpen dat hij geen recht had op de ontvangen bedragen en dat hij deze had moeten terugbetalen aan de PUR of doorbetalen aan de deurwaarder die het oudste beslag had gelegd. Hoewel de gerechtsdeurwaarder tekort was geschoten en tuchtrechtelijk laakbaar had gehandeld, was klager niet financieel benadeeld omdat het geld uiteindelijk correct was doorbetaald.
De klacht werd daarom gegrond verklaard voor het ontvangen van de betalingen, maar het hof zag geen aanleiding voor het opleggen van een maatregel. De vraag of bedragen moeten worden terugbetaald behoort niet tot de tuchtrechtelijke beoordeling maar tot de gewone rechter. De procedure omvatte een verzet tegen een eerdere beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders, waarbij het hof de klacht deels bevestigde en de eerdere beslissing vernietigde.
Uitkomst: Klacht gegrond verklaard wegens onrechtmatige ontvangst van betalingen, maar geen maatregel opgelegd.