ECLI:NL:GHAMS:2009:BL3708
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over verjaring vordering asbestschade mesothelioom
In deze zaak vordert appellante, als nabestaande en erfgename van haar overleden echtgenoot, vergoeding van schade wegens blootstelling aan asbest tijdens diens dienstverband bij geïntimeerde. De kantonrechter had de vordering afgewezen wegens verjaring na het verstrijken van de dertigjarige absolute verjaringstermijn.
Appellante voert in hoger beroep aan dat toepassing van de verjaringstermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, mede aan de hand van de gezichtspuntencatalogus van de Hoge Raad. Het hof stelt vast dat het exacte moment van het einde van het dienstverband en daarmee het begin van de verjaringstermijn onzeker is, maar dat de termijn uiterlijk begin 2006 is verstreken, vlak vóór of kort na de diagnose mesothelioom in oktober 2005.
Het hof overweegt dat appellante onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld om het beroep op verjaring te doorbreken. Zo is niet aannemelijk gemaakt dat geïntimeerde redelijkerwijs rekening had moeten houden met aansprakelijkheid, noch dat zij zich niet adequaat kan verweren. Ook de mate van verwijtbaarheid van geïntimeerde is onvoldoende onderbouwd.
Gelet op alle omstandigheden en de gezichtspunten van de Hoge Raad is het hof van oordeel dat de verjaringstermijn terecht is toegepast en dat de vordering verjaard is. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt appellante in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en verklaart de vordering verjaard en dus niet-ontvankelijk.