ECLI:NL:GHAMS:2009:BK2857
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslag inkomstenbelasting wegens resultaat uit overige werkzaamheden wethouder
Belanghebbende, werkzaam als wethouder en daarnaast in dienst bij het Ministerie van A, gaf in 2004 voor het eerst een negatief resultaat uit overige werkzaamheden op in zijn aangifte inkomstenbelasting. De inspecteur legde daarop een navorderingsaanslag op, welke door belanghebbende werd bestreden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
Het Hof overweegt dat de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag mag uitgaan van de juistheid van de door de belastingplichtige verstrekte gegevens en slechts tot nader onderzoek verplicht is indien er redelijke twijfel bestaat over de juistheid. De enkele wijziging in de aangifte van belanghebbende, namelijk het opnemen van een negatief resultaat uit overige werkzaamheden, vormde geen reden voor de inspecteur om aan de juistheid te twijfelen. Ook het feit dat belanghebbende geen fiscale deskundige raadpleegde, weegt niet in zijn voordeel.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de informatie die belanghebbende van de gemeentesecretarie kreeg niet afkomstig was van de Belastingdienst. Het Hof bevestigt dat er geen sprake is van ambtelijk verzuim en verklaart het hoger beroep ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt hiermee bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag blijft in stand.