ECLI:NL:GHAMS:2008:BF6624
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van verrekening alimentatiebetalingen bij gescheiden partners in belastingaanslag
Belanghebbende, gescheiden van haar ex-echtgenoot, ontving alimentatiebetalingen die in haar inkomstenbelastingaangifte werden opgevoerd als het netto ontvangen bedrag. De inspecteur stelde dat de ex-echtgenoot bedragen eenzijdig had ingehouden en dat deze ingehouden bedragen als verrekening moesten worden beschouwd, waardoor het belastbaar inkomen van belanghebbende hoger zou zijn dan opgegeven.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur onvoldoende bewijs had geleverd dat sprake was van een rechtens afdwingbare verrekening, mede omdat de ex-echtgenoot geen administratie bijhield en de inspecteur geen nader onderzoek had gedaan. Het hof bevestigde dit oordeel en stelde dat de eenzijdige aanpassingen op de bankafschriften onvoldoende waren om van verrekening te spreken zoals bedoeld in artikel 3.146, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001.
Het hof benadrukte dat de inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat er een bindende alimentatieafspraak bestond die het volledige bedrag van € 7.146 betrof, en dat de ingehouden bedragen niet konden worden aangemerkt als een uitkering door verrekening. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aanslag bleef gebaseerd op het lagere bedrag dat belanghebbende daadwerkelijk had ontvangen.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt dat de ingehouden bedragen niet als verrekening in de zin van de Wet IB 2001 gelden.