ECLI:NL:GHAMS:2008:BD2272
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Valk
- Van der Beek
- Wattendorff
- Rechtspraak.nl
Geen vergoeding voor huurder van aangebrachte veranderingen bij einde huur bedrijfsruimte
In deze zaak stond de vraag centraal of de huurder recht had op vergoeding van de door haar aangebrachte veranderingen en toevoegingen in een gehuurde bedrijfsruimte na het einde van de huurovereenkomst. De huurder had de bedrijfsruimte in 1989 en 1999 gehuurd en op eigen kosten verbouwd. De huurovereenkomst van 1999 bevatte een clausule (artikel 5.1 AB 1996) die bepaalt dat de huurder aangebrachte zaken op eigen kosten moet verwijderen en dat de verhuurder voor niet verwijderde zaken geen vergoeding verschuldigd is.
Milli Görüs, de verhuurder, stelde dat deze clausule en de afspraken bij de eerste huurovereenkomst in 1989 uitsluiten dat de huurder aanspraak kan maken op vergoeding. Het hof oordeelde dat de huurder bij het aangaan van de tweede huurovereenkomst niet heeft geprotesteerd tegen deze clausule en dat deze ook van toepassing is op de aangebrachte veranderingen. De huurder kon zich niet beroepen op wettelijke rechten die deze clausule zouden kunnen doorbreken, omdat artikel 7:216 lid 3 BW Pro bij bedrijfsruimtehuur afwijking toestaat.
Het hof stelde vast dat de huurder geen recht had op vergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking, omdat de contractuele afspraken dit uitsluiten. Ook het beroep op het recht van eerste koop bood geen grond voor vergoeding, aangezien dit recht geen verplichting tot verkoop inhoudt. Het hof vernietigde de eerdere vonnissen die de huurder een vergoeding toekenden en veroordeelde de huurder in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van de huurder tot vergoeding van aangebrachte veranderingen wordt afgewezen en de huurder wordt veroordeeld in de proceskosten.