ECLI:NL:GHAMS:2008:BC8004

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
26 februari 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.001.155/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 FwArt. 288 lid 1 sub b FwArt. 288 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens ontbreken goede trouw

Appellante heeft bij de rechtbank verzocht om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, maar dit verzoek werd afgewezen omdat zij niet te goeder trouw zou zijn geweest bij het ontstaan van haar schuld aan het UWV. In hoger beroep heeft zij betwist dat zij niet te goeder trouw was, onder meer met het argument dat zij een betalingsregeling met het UWV had getroffen en dat zij destijds met weinig financiële middelen moest rondkomen.

Het hof stelt vast dat appellante in de periode van april tot mei 2006 naast haar uitkering ook inkomsten uit arbeid heeft ontvangen zonder dit aan het UWV te melden, waardoor zij ten onrechte een uitkering heeft ontvangen die later is teruggevorderd met een boete. Hoewel zij bijna de gehele schuld heeft afbetaald, acht het hof dit onvoldoende om te concluderen dat zij te goeder trouw was. Daarnaast heeft zij schulden aan de gemeente, de Belastingdienst en de Postbank, waarvan niet is gesteld dat deze te goeder trouw zijn ontstaan.

Het hof concludeert dat appellante onvoldoende heeft gemotiveerd dat er omstandigheden zijn die toepassing van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro rechtvaardigen. Daarom wordt de beslissing van de rechtbank om het verzoek af te wijzen bekrachtigd. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en uitgesproken op 26 februari 2008.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw bij het ontstaan van de schulden.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
TWEEDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER
ARREST van 26 februari 2008 in de zaak met zaaknummer 200.001.155/01 van:
[appellante],
wonende aan de […],
te […],
APPELLANTE,
procureur: mr. R.A. Rhodes.
1. Het geding in hoger beroep
1.1 Appellante – [appellante] – is bij op 22 januari 2008 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift in hoger beroep gekomen van de beslissing van de rechtbank Amsterdam van 14 januari 2008 met rekestnummer 382977/FT-RK 07.1913, waarbij het verzoek van [appellante] tot van toepassing verklaring van de wettelijke schuldsaneringsregeling is afgewezen.
1.2 Het hoger beroep is behandeld ter terechtzitting van 15 februari 2008. Bij die behandeling is [appellante] verschenen, bijgestaan door haar procureur voornoemd.
2. De gronden van de beslissing
2.1 De rechtbank heeft op de in de beslissing waarvan beroep vermelde gronden het verzoek van [appellante] om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling overeenkomstig artikel 288 lid 1 sub b van Pro de Faillissementswet (Fw) afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is [appellante] ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan het UWV niet te goeder trouw geweest. Omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot toepassing van artikel 288 lid 3 Fw Pro zijn niet aangevoerd of gebleken, aldus de rechtbank
2.2 In hoger beroep is het volgende gebleken.
2.2.1 [Appellante] is een alleenstaande vrouw van 52 jaar oud. Zij heeft twee kinderen, waarvan één uitwonend. [Appellante] ontvangt een WW-uitkering.
2.2.2 De totale schuldenlast van [appellante] bedroeg blijkens de verklaring ex artikel 285 lid 1 onder Pro e Fw op 28 september 2007 € 32.145,69.
2.2.3 [Appellante] heeft betwist dat de schuld aan het UWV niet te goeder trouw is ontstaan. Zij heeft aangevoerd dat zij ten aanzien van deze schuld een betalingsregeling met het UWV is overeengekomen, waarvan nog één termijn van € 135,- resteert. Voorts heeft [appellante] in haar beroepschrift gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen omstandigheden zijn gebleken die aanleiding kunnen geven tot toepassing van artikel 288 lid 3 Fw Pro en daartoe aangevoerd dat – kort gezegd – zij destijds met weinig financiële middelen moest rondkomen.
2.3 Bij de beoordeling van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling stelt het hof voorop dat de schuldenaar ingevolge (het per 1 januari 2008 inwerking getreden) artikel 288 lid 1 sub b Fw Pro voldoende aannemelijk dient te maken dat hij/zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn/haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder is geweest. Vaststaat dat [appellante] in de periode van 24 april tot en met 31 mei 2006 naast haar uitkering inkomsten uit arbeid heeft ontvangen en hiervan geen melding heeft gemaakt aan het UWV. Bij besluit van 15 november 2006 heeft het UWV de ten onrechte ontvangen uitkering over voornoemde periode van [appellante] teruggevorderd, alsmede aan haar een boete opgelegd. De totale schuld (inclusief de boete) aan het UWV bedroeg € 1.652,80. Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] in hoger beroep onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij ten aanzien van deze schuld te goeder trouw is geweest. Dat zij ten aanzien van deze schuld een afbetalingsregeling heeft getroffen, alsmede dat de schuld op één termijn na bijna is afbetaald, is, gelet op artikel 288 lid 1 sub Pro b, onvoldoende om aan te nemen dat zij ten aanzien van het ontstaan van deze schuld te goeder trouw is geweest. Voorts is ter terechtzitting in hoger beroep gebleken dat [appellante] schulden heeft aan de gemeente, alsmede een schuld aan de Belastingdienst in verband met teveel ontvangen huursubsidie. Niet is gesteld dat zij ook ten aanzien van deze schulden te goeder trouw is geweest. Hetzelfde geldt voor de schuld van € 11.889,14 aan de Postbank, welke ziet op een in eind 2005 afgesloten consumptief krediet. Verder heeft [appellante] onvoldoende gemotiveerd gesteld dat er omstandigheden zijn die leiden tot toepassing van artikel 288 lid 3 Fw Pro. Het voorgaande staat aan toelating van [appellante] tot de schuldsaneringsregeling in de weg. De beslissing van de rechtbank dient dan ook te worden bekrachtigd.
3. De beslissing
Het hof:
- bekrachtigt de beslissing waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.D.R.M. Boumans, M.W.E. Koopmann en S. Clement en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 26 februari 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.
Van dit arrest kan gedurende acht dagen na die van de uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld door middel van een verzoekschrift in te dienen ter griffie van de Hoge Raad.