ECLI:NL:GHAMS:2008:BC8004
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A.D.R.M. Boumans
- M.W.E. Koopmann
- S. Clement
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating wettelijke schuldsaneringsregeling wegens ontbreken goede trouw
Appellante heeft bij de rechtbank verzocht om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, maar dit verzoek werd afgewezen omdat zij niet te goeder trouw zou zijn geweest bij het ontstaan van haar schuld aan het UWV. In hoger beroep heeft zij betwist dat zij niet te goeder trouw was, onder meer met het argument dat zij een betalingsregeling met het UWV had getroffen en dat zij destijds met weinig financiële middelen moest rondkomen.
Het hof stelt vast dat appellante in de periode van april tot mei 2006 naast haar uitkering ook inkomsten uit arbeid heeft ontvangen zonder dit aan het UWV te melden, waardoor zij ten onrechte een uitkering heeft ontvangen die later is teruggevorderd met een boete. Hoewel zij bijna de gehele schuld heeft afbetaald, acht het hof dit onvoldoende om te concluderen dat zij te goeder trouw was. Daarnaast heeft zij schulden aan de gemeente, de Belastingdienst en de Postbank, waarvan niet is gesteld dat deze te goeder trouw zijn ontstaan.
Het hof concludeert dat appellante onvoldoende heeft gemotiveerd dat er omstandigheden zijn die toepassing van artikel 288 lid 3 Faillissementswet Pro rechtvaardigen. Daarom wordt de beslissing van de rechtbank om het verzoek af te wijzen bekrachtigd. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en uitgesproken op 26 februari 2008.
Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van goede trouw bij het ontstaan van de schulden.