ECLI:NL:GHAMS:2007:BA3849
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- E.A.G. van der Ouderaa
- J. den Boer
- P.F. Goes
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtbankuitspraak over terbeschikkingstellingsregeling en discriminatie in Wet inkomstenbelasting 2001
Belanghebbenden, een man en een vrouw woonachtig in België, maakten bezwaar tegen aanslagen inkomstenbelasting 2001 die betrekking hadden op inkomsten uit verhuur en rente van vermogensbestanddelen aan verbonden vennootschappen. De rechtbank Haarlem verklaarde het beroep van de man ongegrond en dat van de vrouw gegrond, waarbij de aanslag voor de vrouw werd verminderd.
Beide belanghebbenden stelden hoger beroep in tegen de uitspraken van de rechtbank. Het geschil betreft de vraag of de toepassing van artikel 3.92 Wet IB 2001 leidt tot ongelijke behandeling van gelijke gevallen, doordat inkomsten uit vermogensbestanddelen die ter beschikking worden gesteld aan verbonden lichamen in box 1 worden belast, terwijl vergelijkbare inkomsten van vermogensbestanddelen ter beschikking gesteld aan derden in box 3 vallen.
De rechtbank oordeelde dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft en dat er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat voor het verschil in fiscale behandeling. Het hof sluit zich hierbij aan en stelt dat de betogen van belanghebbenden geen nieuw licht werpen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraken van de rechtbank bevestigd.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is op 14 januari 2007 in het openbaar gedaan door het Gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.