ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ4964
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering aanslag inkomstenbelasting 1996 wegens onredelijke schatting belastbaar inkomen
Belanghebbende, voormalig advocaat en directeur-aandeelhouder van twee failliete BV's, werd geconfronteerd met een ambtshalve vastgestelde aanslag inkomstenbelasting over 1996 van ƒ 500.000. De inspecteur baseerde deze schatting op het inkomen van eerdere jaren, met name 1994, ondanks dat de activiteiten van het advocatenkantoor sinds een FIOD-inval in 1995 vrijwel geheel waren gestaakt.
Belanghebbende stelde dat hij niet tijdig aangifte kon doen omdat zijn administratie in beslag was genomen en hij geen inkomsten had genoten in 1996. Het Hof oordeelde dat het niet tijdig indienen van de aangifte terecht was en dat de inspecteur bevoegd was tot schatting. Echter, de schatting van ƒ 500.000 werd als onredelijk verworpen vanwege de slechte financiële situatie van de BV's en het feit dat belanghebbende slechts minimale opnamen deed voor levensonderhoud.
Het Hof stelde het belastbaar inkomen in redelijkheid vast op ƒ 50.000, rekening houdend met een minimale bron van inkomen en het feit dat belanghebbende wel beschikking had over een auto. Belanghebbende slaagde er niet in overtuigend aan te tonen dat zijn inkomen lager was dan dit bedrag. De aanslag werd derhalve verminderd tot dit bedrag en het beroep gegrond verklaard.
Uitkomst: De aanslag inkomstenbelasting 1996 is verminderd tot een belastbaar inkomen van ƒ 50.000.