ECLI:NL:GHAMS:2005:AU4897
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.A.G. van der Ouderaa
- J. den Boer
- R.H. Happé
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke beoordeling navorderingsaanslagen wegens belastingontduiking via offshore vennootschappen
Het Gerechtshof Amsterdam behandelde het beroep van belanghebbende tegen navorderingsaanslagen inkomsten- en vermogensbelasting over de jaren 1992-1997. Belanghebbende werd verdacht van deelname aan een samenwerkingsverband dat grote liquiditeiten onttrok aan Nederlandse vennootschappen, verkocht aan een op de Bahama's gevestigde offshore-vennootschap, en deze middelen naar belastingparadijzen liet afvloeien.
Het hof oordeelde dat het fiscale rapport voldoende nieuwe feiten bevatte voor navordering en dat de navorderingsaanslagen voldoende waren gemotiveerd. Belanghebbende had niet voldaan aan zijn aangifte- en inlichtingenplicht, waardoor omkering van de bewijslast van toepassing was. De inspecteur had zijn geheimhoudingsplicht niet geschonden.
Hoewel belanghebbende betwistte de inkomsten en vermogensbestanddelen, kon hij geen plausibele verklaring geven voor de omvangrijke transacties, bankrekeningen in Luxemburg, en contante betalingen. Het hof achtte de schattingen van de inspecteur redelijk, maar matigde de aanslagen voor 1995 en de vermogensbelasting voor 1996 en 1997.
Het beroep werd deels gegrond verklaard, de navorderingsaanslagen voor genoemde jaren verminderd, en de inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2005.
Uitkomst: Het beroep is deels gegrond verklaard met vermindering van navorderingsaanslagen over 1995, 1996 en 1997 en toewijzing van proceskosten aan belanghebbende.