ECLI:NL:GHAMS:2003:AP1566
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Onnes
- Rechtspraak.nl
Beoordeling stakingsfaciliteit en navordering bij verkoop markten en winkels
Belanghebbende en zijn echtgenote exploiteerden samen een groothandel en detailhandel in kaas- en zuivelproducten, waarbij de detailhandel bestond uit winkels en wekelijkse markten/standplaatsen. In 1995 werden de markten verkocht aan een werknemer. De vraag was of de stakingsfaciliteit van artikel 8, lid 1, onderdeel d, Wet IB 1964 van toepassing was op de verkoopopbrengst van de markten.
Het hof stelde vast dat de activiteiten van belanghebbende niet als één onderneming kunnen worden beschouwd, maar als twee ondernemingen: enerzijds de winkels en anderzijds de markten/standplaatsen met de groothandel. Dit oordeel was gebaseerd op verschillen in administratie, personeel, inkoopbeleid en exploitatie. De stakingsfaciliteit kon daarom niet op de verkoop van de markten worden toegepast als onderdeel van één onderneming.
Daarnaast oordeelde het hof dat navordering van de aanslag inkomstenbelasting 1995 toegestaan was omdat de oorspronkelijke aanslag berustte op een administratieve fout, die belanghebbende kende of redelijkerwijs had moeten kennen. Het beroep werd gegrond verklaard, de aanslag verminderd en de inspecteur werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof verklaart het beroep gegrond, vernietigt de bestreden uitspraak en vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen van ƒ 124.293.