ECLI:NL:GHAMS:2002:AE7506
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Van Ballegooijen
- Goes
- Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over navordering buitenlandse looninkomsten en onrechtmatig bewijs
Belanghebbende, directeur van een Nederlandse vennootschap, werd geconfronteerd met navorderingsaanslagen over de jaren 1986 tot en met 1996 wegens niet aangegeven buitenlandse looninkomsten via gefingeerde commissies. Het geschil betrof onder meer de vraag of de inspecteur loonbelasting had moeten naheffen in plaats van inkomstenbelasting, of de inkomsten in het buitenland waren opgekomen, en de toelaatbaarheid van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs.
Het Hof oordeelde dat de inspecteur vrij was te kiezen tussen naheffing loonbelasting en navordering inkomstenbelasting, en dat voor toepassing van artikel 16, vierde lid, AWR beslissend is langs welke weg de inkomsten aan belanghebbende zijn toegekomen, niet de plaats van economische activiteit. De onrechtmatigheid van de huiszoeking op de 12e verdieping leidde niet tot uitsluiting van het bewijs, aangezien de inspecteur de informatie ook via andere wegen had kunnen verkrijgen.
Verder werd geoordeeld dat het una via-beginsel niet van toepassing was op de navorderingsaanslagen over de jaren vóór 1998, en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de nota's van de FIOD niet als toezegging konden worden aangemerkt. De redelijke termijn was overschreden, maar de door de inspecteur aangeboden vermindering van de boete tot 75% werd passend bevonden. Het beroep werd voor het grootste deel ongegrond verklaard, met uitzondering van het deel dat betrekking had op de buitenlandse periode van 1991, dat niet-ontvankelijk werd verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt voor het grootste deel ongegrond verklaard met een vermindering van de verhoging tot 75% wegens overschrijding van de redelijke termijn.