Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
Nadat de Belastingdienst in 2017 en 2018 forse navorderingsaanslagen inkomstenbelasting heeft opgelegd aan Werknemers, hebben Werknemers KLM aansprakelijk gesteld voor de schade. De kantonrechter heeft de vorderingen van Werknemers gedeeltelijk toegewezen; de aansprakelijkheid van KLM is
ex aequo et bonovastgesteld op 50%. In hoger beroep wijst het hof de vorderingen alsnog volledig af. In cassatie wordt met verschillende klachten opgekomen tegen dit oordeel. Mijns inziens kan het arrest niet in stand blijven.
2.Feiten
3.Procesverloop
4.Bespreking van het cassatiemiddel
voorheffingop de inkomstenbelasting loon uit dienstbetrekking te belasten. De werknemer, die belastingplichtig is voor de loonbelasting, kan de door de werkgever ingehouden loonbelasting vervolgens verrekenen met zijn of haar inkomstenbelasting. [23] Dit systeem, waarin de werkgevers zorgdragen voor de inning van loonbelasting ten laste van de werknemer en voor de kosten daarvan, heeft grote voordelen voor de werknemers, die geen fiscale administratie hoeven te voeren, geen voorlopige aanslagen krijgen en veelal ook geen definitieve aanslag (‘pay as you go’; zie hieronder) en ook voor de Belastingdienst, die daardoor minder administratie en minder debiteurenrisico heeft.
is de loonbelasting voor grote groepen belastingplichtigen feitelijk niet meer dan een inkomstenbelasting die wordt geheven door inhouding op het loon”. [31]
uitzonderingwordt deze opgelegd aan de werknemer. [32]
uitgangspuntzou ik menen dat dit niet het geval is: de verplichtingen die op de werkgever rusten, ontslaan de werknemer niet van diens eigen verplichting om de fiscale wet- en regelgeving na te leven. Dat geldt ook als de werknemer niet bekend was met (wijzigingen in) die wet- of regelgeving; de werknemer heeft een eigen verantwoordelijkheid om te onderzoeken en bij te houden welke fiscale verplichtingen op hem rusten. Een algemene waarschuwings- of informatieplicht van de werkgever jegens zijn werknemer met betrekking tot wijzigingen in fiscale wet- of regelgeving zou ik dan ook niet willen aannemen.
wetenschapvan een verdrags- of wetswijziging die
mogelijkleidt tot loonheffing in Nederland is dus niet voldoende voor het aannemen van een waarschuwings- of informatieplicht. Er geldt ook een normatieve component: het weten of
redelijkerwijs behoren te wetendat de verdragswijziging
leidttot loonheffing in Nederland. Hierbij kan mede van belang zijn of sprake is van een grote, professionele werkgever, met een eigen fiscale afdeling en veel in het buitenland wonende werknemers; in zo’n geval zal eerder kunnen worden aangenomen dat de werkgever redelijkerwijs behoorde te weten dat een hem bekende wets- of verdragswijziging, anders dan voorheen, leidt tot loonheffing in Nederland.
mogelijktot gevolg heeft dat de werkgever – anders dan voorheen – loonbelasting moet inhouden op het loon van de werknemers voldoende is voor het aannemen van een op goed werkgeverschap gebaseerde waarschuwings- of informatieplicht, kan deze rechtsklacht niet slagen.
bekend ismet een wijziging van fiscale wet- en regelgeving, en de werkgever bovendien wist, althans redelijkerwijs behoorde te weten, dat die wijziging tot gevolg heeft dat, anders dan voorheen, loonbelasting in Nederland verschuldigd is, volgt uit de norm van goed werkgeverschap dat hij de werknemers die het aangaat waarschuwt voor dan wel informeert over de wijziging. Onderdeel b slaagt dan ook in zoverre.
inkomstenbelastingin belangrijke mate samenvallen met diens privéaangelegenheden die KLM als werkgeefster niet aangaan (denk bijvoorbeeld aan de gezinssamenstelling, huis, hypotheek, etc.) en dat ook de eindheffing inkomstenbelasting een privéaangelegenheid betreft, zoals het hof in rov. 3.3.1 en 3.3.3 overweegt. De vraag of
loonbelastingverschuldigd is, is echter geen privéaangelegenheid, maar een kwestie die KLM bij uitstek aangaat omdat zij op grond van art. 27 lid 2 Wet Pro LB 1964 verplicht is om loonbelasting in te houden op het moment dat het loon wordt genoten (zie onder 4.10 en 4.13-4.14). Tegen deze achtergrond is de aanname van het hof dat de woonplaats van haar werknemers ‘een privékwestie’ is, ook niet juist.
specifiekbetrekking op inkomsten genoten uit dienstbetrekking uitgeoefend aan boord van een schip of
luchtvaartuigdat in internationaal verkeer wordt geëxploiteerd. De bepaling luidt als volgt:
onderdelen e tot en met hbevatten grotendeels op de voorgaande onderdelen voortbouwende klachten tegen rov. 3.3.4, 3.4.2, 3.4.3, 3.5, 3.7 en 3.9 van het bestreden arrest. Nu de onderdelen b en c overwegend doel treffen, slagen in zoverre ook deze klachten.