ECLI:NL:GHAMS:2002:AE0074
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Dutmer
- Onnes
- Van der Ouderaa
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslag vennootschapsbelasting na inbreng onderneming in werkmaatschappij
Belanghebbende, een besloten vennootschap, bracht haar onderneming in 1992 in een nieuw opgerichte werkmaatschappij in. De winst uit deze inbreng werd aanvankelijk in 1991 belast, maar het Hof oordeelde dat deze winst in 1992 belast moest worden. Naar aanleiding hiervan legde de inspecteur een navorderingsaanslag op voor 1992.
De kern van het geschil betrof de bevoegdheid van de inspecteur tot het opleggen van deze aanslag, de vraag of sprake was van een nieuw feit of kwade trouw bij belanghebbende, en de rechtmatigheid van de in rekening gebrachte heffingsrente. Het Hof stelde vast dat de aanslag geacht mag te zijn opgelegd door het bevoegd hoofd van de eenheid, ondanks het ontbreken van een schriftelijke mandaatverlening.
Verder oordeelde het Hof dat de inspecteur niet tijdig over alle benodigde informatie beschikte om de juiste aanslag over 1992 vast te stellen, mede doordat belanghebbende niet alle gevraagde gegevens verstrekte. Hierdoor was sprake van ambtelijk verzuim bij de inspecteur, waardoor de navorderingsaanslag gedeeltelijk niet in stand kon blijven. Belanghebbende werd niet te kwader trouw bevonden, omdat zij niet de bedoeling had om te weinig belasting te betalen. De heffingsrente werd terecht geheven omdat de inspecteur niet tijdig over juiste gegevens beschikte.
Uitkomst: De navorderingsaanslag wordt verminderd wegens ambtelijk verzuim, de inspecteur is bevoegd en heffingsrente is terecht berekend.