ECLI:NL:GHAMS:2001:AD6116
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Dutmer
- Onnes
- Goes
- Rechtspraak.nl
Hof bevestigt winstuitdeling door bewust laten vallen vordering moedermaatschappij
Belanghebbende, een BV actief in onroerend goed, maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag dividendbelasting over 1993. De inspecteur had de aanslag opgelegd wegens vermeende middellijke winstuitdelingen aan de middellijke aandeelhouder L, door het laten vallen van een vordering op de moedermaatschappij J.
Het hof oordeelde dat het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard wegens termijnoverschrijding, omdat belanghebbende pas in maart 1999 kennis had genomen van de aanslag en de termijnoverschrijding verschoonbaar was. Vervolgens stelde het hof vast dat belanghebbende de vordering op J met ƒ 500.000 bewust had laten vallen ten gunste van L, zonder dat een tegenprestatie was geleverd. Bewijsstukken die een storting van L in een failliete vennootschap M moesten aantonen, waren onvoldoende overtuigend.
Voor een tweede vermeende winstuitdeling van ƒ 11.926 voor een CV-installatie in een pand dat L bewoonde, oordeelde het hof dat onvoldoende was komen vast te staan dat belanghebbende L een voordeel had toegekend. De naheffingsaanslag werd daarom verminderd tot 25% van ƒ 500.000, oftewel ƒ 125.000.
Het hof veroordeelde de inspecteur in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan belanghebbende moest worden vergoed. De uitspraak werd gedaan door de voorzitter Dutmer en leden Onnes en Goes op 6 november 2001.
Uitkomst: De naheffingsaanslag dividendbelasting is verminderd tot ƒ 125.000 en het bezwaarschrift is ontvankelijk verklaard.