ECLI:NL:PHR:2004:AP1359
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid van de ontvanger tot verrekening van rechterlijk opgelegde terugbetalingsverplichting met belastingschuld
De zaak betreft de vraag of de ontvanger van de Belastingdienst een door de rechter opgelegde verplichting tot terugbetaling van onverschuldigd geïncasseerde bedragen mag verrekenen met een openstaande belastingschuld van de belastingplichtige. De ontvanger had een dwangbevel uitgevaardigd en executoriaal derdenbeslag gelegd, maar dit werd door de rechtbank onrechtmatig verklaard omdat het dwangbevel niet door een bevoegde ambtenaar was uitgevaardigd.
De ontvanger verrekende vervolgens het terug te betalen bedrag met een openstaande aanslag, maar dit werd betwist door de belastingplichtige. Zowel de rechtbank als het gerechtshof oordeelden dat de ontvanger niet bevoegd was tot verrekening op grond van de Invorderingswet 1990 en de civielrechtelijke regels over verrekening waren uitgesloten.
De Hoge Raad bevestigt dat de Invorderingswet 1990 een eigen regeling voor verrekening bevat die de civielrechtelijke regels uitsluit en dat de terugbetalingsverplichting uit het vonnis niet kan worden aangemerkt als een uit te betalen bedrag in de zin van art. 24 lid 2 Invorderingswet Pro 1990. De ontvanger kan derhalve deze verplichting niet verrekenen met de belastingschuld. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de ontvanger niet bevoegd is een rechterlijk opgelegde terugbetalingsverplichting te verrekenen met een belastingschuld.