ECLI:NL:GHAMS:1999:AA7934
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van Loon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling autokostenfictie bij woon-werkverkeer en toepassing driemaal per week criterium
Belanghebbende, algemeen directeur, gebruikte een door zijn werkgever ter beschikking gestelde auto voor woon-werkverkeer en privégebruik. De discussie betrof de toepassing van artikel 42 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964, waarbij het aantal keren dat belanghebbende per week tussen woning en werk reist centraal stond.
Belanghebbende stelde dat ritten die hij maakte na voltooiing van zijn werkweek, bestemd voor een 'verantwoordelijke' vervulling van zijn dienstbetrekking, buiten beschouwing moesten blijven. Hij berekende het aantal ritten op 1,69 per week, terwijl de inspecteur uitkwam op 2,69 ritten per week.
Het Hof oordeelde dat de autokostenfictie geen ruimte laat om onderscheid te maken tussen soorten woon-werkverkeer en dat ook ritten via andere bestemmingen meetellen. Op grond van eerdere arresten van de Hoge Raad werd vastgesteld dat bij gemiddeld meer dan 2,5 maar minder dan 3 dagen per week reizen, dit gelijkgesteld moet worden aan driemaal per week reizen. Het beroep werd ongegrond verklaard en de bestreden uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting 1997 wordt ongegrond verklaard en de bestreden uitspraak bevestigd.