ECLI:NL:CRVB:2026:975

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
24/1349 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 AOWArt. 6a AOWVo 1408/71Vo 883/2004Art. 87 lid 8 Vo 883/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging korting AOW-pensioen wegens niet-verzekerde tijdvakken door toepassing Zwitserse socialezekerheidswetgeving

Appellant, een Nederlandse ingezetene die van 1991 tot 2012 werkte voor een in Zwitserland gevestigde onderneming buiten de EU, kreeg een AOW-pensioen toegekend met een korting wegens niet-verzekerde tijdvakken. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde dat in de periode van 2002 tot 2012 de Zwitserse socialezekeringswetgeving van toepassing was, waardoor appellant niet verzekerd was voor de AOW.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad bevestigde dat op grond van de Europese coördinatieverordeningen Vo 1408/71 en Vo 883/2004 en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU, de wetgeving van de vestigingsstaat van de werkgever (Zwitserland) van toepassing is, ook al woonde appellant in Nederland. De Raad verwees naar het arrest Kik en een eerdere uitspraak van 2 november 2023, waarin werd vastgesteld dat woonplaatsvereisten in de Zwitserse wetgeving buiten beschouwing moeten blijven.

Appellant voerde aan dat de Zwitserse wetgeving geen verplichte aansluiting bood omdat hij niet in Zwitserland woonde, en verzocht om prejudiciële vragen aan het Hof. De Raad zag hiervoor geen aanleiding, mede omdat de Hoge Raad in een arrest van 5 december 2025 het standpunt van de Raad bevestigde en het cassatieberoep ongegrond verklaarde.

De Raad concludeerde dat de Svb terecht de korting op het AOW-pensioen toepaste en bevestigde het bestreden besluit. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 18 juni 2026.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de korting van 62% op het AOW-pensioen terecht is toegepast wegens niet-verzekerde tijdvakken onder Zwitserse socialezekeringswetgeving.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/1349 AOW
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 1 mei 2024, 23/1787 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 18 juni 2026

SAMENVATTING

De Svb heeft terecht een korting toegepast op het AOW-pensioen van appellant in verband met nietverzekerde tijdvakken. Appellant was onder meer niet verzekerd voor de AOW in de periode waarin hij in Nederland woonde en buiten de Europese Unie werkte voor een in Zwitserland gevestigde onderneming. Op grond van Vo 1408/71, Vo 883/2004 en rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie was op appellant in deze periode niet de Nederlandse maar de Zwitserse socialezekerheidswetgeving van toepassing.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [gemachtigde] hoger beroep ingesteld. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft vragen van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2026. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde] . De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Zuidersma-Hovers.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde ten tijde in geding in Nederland. Hij was, voor zover in dit geding relevant, van 26 januari 1991 tot en met 26 december 2012 in dienst bij [naam onderneming] , een in Zwitserland gevestigde onderneming. Hij was voor die onderneming werkzaam op schepen die voeren onder Panamese vlag en werkte in landen buiten de Europese Unie.
1.2.
Met een besluit van 4 november 2021 heeft de Svb aan appellant met ingang van 12 december 2021 een AOW [1] -pensioen toegekend met een korting van 60% in verband met niet-verzekerde tijdvakken voor de AOW. Appellant is onder meer niet verzekerd geacht in de onder 1.1 genoemde periode.
1.3.
Met een besluit van 24 juli 2023 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 4 november 2021 ongegrond verklaard. De Svb heeft in dat besluit vastgesteld dat de korting vanaf augustus 2023 62% moet bedragen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1.
Partijen zijn verdeeld over de vraag of de Svb appellant terecht niet verzekerd heeft geacht voor de AOW in de periode tussen 1 juni 2002, toen Vo 1408/71 [2] van toepassing werd op Zwitserland, tot en met 26 december 2012.
4.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) de situatie van appellant in de hele periode in geding werd beheerst door de Europese coördinatieverordeningen. Appellant woonde toen in Nederland en werkte, buiten de Europese Unie, voor een in Zwitserland gevestigde werkgever. Er zijn voldoende aanknopingspunten met de vestigingsplaats van de werkgever om deze verordeningen van toepassing te doen zijn. In die situatie was op appellant tot 1 april 2012 Vo 1408/71 van toepassing en vanaf 1 april 2012 Vo 883/2004. [3] Degenen op wie deze verordeningen van toepassing zijn, zijn slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. [4] Welke wetgeving dat is, wordt in diezelfde verordeningen geregeld.
De periode van 1 juni 2002 tot 1 april 2012
4.3.
Volgens de Svb is appellant in deze periode niet verzekerd voor de AOW, omdat de Zwitserse wetgeving van toepassing was. De Svb heeft voor dit standpunt verwezen naar het arrest Kik, [5] waarin een vergelijkbare situatie aan de orde was. Volgens de Svb volgt uit dit arrest dat de Zwitserse wetgeving van toepassing is omdat deze wetgeving voor ingezetenen voorziet in verplichte verzekering in het stelsel van sociale zekerheid, waarbij Zwitserland appellant een woonplaatsvereiste als voorwaarde voor aansluiting bij dat stelsel niet mag tegenwerpen.
4.3.1.
Het standpunt van de Svb komt overeen met de uitspraak die deze Raad op 2 november 2023 heeft gedaan in een vergelijkbare zaak. [6] De Raad heeft in die zaak onder verwijzing naar het arrest Kik overwogen dat in dat geval op grond van Vo 1408/71 als regel de wetgeving van de vestigingsstaat van de werkgever van toepassing is maar dat de wetgeving van de woonstaat van toepassing is indien de wetgeving van de vestigingsstaat van de werkgever niet voorziet in de aansluiting van de werknemer bij enig stelsel van sociale zekerheid. Bij de beantwoording van de vraag of de wetgeving van de vestigingsstaat van de werkgever al dan niet voorziet in de aansluiting van de werknemer bij een stelsel van sociale zekerheid, moet op grond van Vo 1408/71 een daarin opgenomen woonplaatsvereiste buiten beschouwing blijven.
4.3.2.
Op grond van de Zwitserse socialeverzekeringswetgeving heeft de Raad in zijn uitspraak van 2 november 2023 vastgesteld dat natuurlijke personen die in Zwitserland wonen daar verplicht verzekerd zijn krachtens deze wetgeving. Met deze territoriale voorwaarde mag in dit geval echter geen rekening worden gehouden, zodat volgens de Raad betrokkene op grond van het Zwitserse recht in Zwitserland verplicht verzekerd moest worden geacht
.
4.4.
Tegen die uitspraak van de Raad is beroep in cassatie bij de Hoge Raad ingesteld. In het cassatieberoep is onder andere de klacht opgeworpen dat de Raad ten onrechte het in de wetgeving van Zwitserland opgenomen woonplaatsvereiste buiten beschouwing heeft gelaten. Betoogd is dat de woonplaatsvoorwaarden in de nationale wetgeving van een lidstaat pas buiten beschouwing mogen worden gelaten als vaststaat dat die wetgeving als toepasselijke wetgeving is aangewezen.
4.4.1.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 5 december 2025 [7] geoordeeld dat deze klacht faalt. Volgens de Hoge Raad is de Raad er voor de toepassing van het arrest Kik terecht van uitgegaan dat bij de beantwoording van de vraag of de wetgeving van de vestigingsstaat van de werkgever al dan niet voorziet in aansluiting van de werknemer bij een stelsel van verplichte verzekering, geen rekening mag worden gehouden met nationale voorschriften die de verzekeringsplicht afhankelijk stellen van territoriale voorwaarden, zoals de woonplaats van de betrokkene. Hierbij is verwezen naar een eerder arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2015, [8] gewezen na beantwoording van de door de Hoge Raad gestelde prejudiciële vragen aan het Hof in de zaak Kik.
4.5.
Desgevraagd heeft appellant aan de Raad laten weten ook na het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2025 zijn gronden in hoger beroep te handhaven. Volgens appellant leggen de Raad en de Hoge Raad het arrest Kik niet juist uit. Volgens appellant voorziet de Zwitserse socialeverzekeringswetgeving niet in een aansluiting bij de verplichte verzekering omdat hij niet in Zwitserland woonde. Hierdoor is op grond van het arrest Kik niet de Zwitserse wetgeving van toepassing maar de wetgeving van de woonstaat Nederland. Appellant heeft de Raad verzocht prejudiciële vragen te stellen aan het Hof.
4.6.
De Raad ziet in het betoog van appellant geen aanleiding om in dit geding anders te oordelen dan hij in de in 4.3.1 genoemde uitspraak van 2 november 2023 heeft gedaan. De Raad vindt bevestiging voor dit oordeel in het in 4.4.1 genoemde arrest van de Hoge Raad van 5 december 2025. In dat arrest heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie, dat was ingesteld mede op vergelijkbare gronden als in de zaak van appellant, ongegrond verklaard. De Hoge Raad heeft in de cassatiegronden geen aanleiding gezien om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof. Ook de Raad ziet hiertoe geen aanleiding. In dat verband wordt opgemerkt dat ook deze uitspraak vatbaar is voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat de Raad op grond van artikel 267 VWEU Pro niet gehouden is tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof.
4.7.
Dit betekent dat de Svb terecht heeft vastgesteld dat appellant in deze periode onderworpen was aan Zwitserse socialeverzekeringswetgeving en appellant terecht niet verzekerd heeft geacht voor de AOW.
De periode van 1 april 2012 tot 26 december 2012
4.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat appellant op grond van het overgangsrecht in artikel 87, achtste lid, van Vo 883/2004 onderworpen is gebleven aan de wetgeving die laatstelijk onder Vo 1408/71 was aangewezen. Dit leidt ertoe dat appellant ook in deze periode onderworpen was aan Zwitserse wetgeving en de Svb appellant daarom terecht niet verzekerd heeft geacht voor de AOW.

Conclusie en gevolgen

4.9.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de korting op het AOW-pensioen in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en E.E.V. Lenos en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) C.C.M. van ’t Hol
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Algemene Ouderdomswet
Artikel 6
1. Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, en
a. ingezetene is;
(…)
Artikel 6a
Zo nodig in afwijking van artikel 6 en Pro de daarop berustende bepalingen:
a. wordt als verzekerde aangemerkt de persoon van wie de verzekering op grond van deze wet voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie;
b. wordt niet als verzekerde aangemerkt de persoon op wie op grond van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie de wetgeving van een andere mogendheid van toepassing is.
Vo 1408/71
Artikel 13
Algemene regels
1. Onder voorbehoud van artikel 14 quater Pro zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.
(…)
Vo 883/2004
Artikel 11
Algemene regels
1. Degenen op wie deze verordening van toepassing is, zijn slechts aan de wetgeving van één lidstaat onderworpen. Welke die wetgeving is, wordt overeenkomstig deze titel vastgesteld.
2. (…)
3. Behoudens de artikelen 12 tot en met 16:
a. a) geldt voor degene die werkzaamheden al dan niet in loondienst verricht in een lidstaat, de wetgeving van die lidstaat;
(…)
e) geldt voor eenieder op wie de bepalingen van de onderdelen a) tot en met d) niet van toepassing zijn, de wetgeving van de lidstaat van zijn woonplaats, onverminderd andere bepalingen van deze verordening die hem prestaties garanderen krachtens de wetgeving van een of meer andere lidstaten.
(…)
Artikel 87, achtste lid
Indien een persoon op grond van deze verordening is onderworpen aan de wetgeving van een andere lidstaat dan die waaraan die persoon op grond van titel II van Verordening (EEG) nr. 1408/71 onderworpen is, blijft de betrokkene onderworpen aan deze wetgeving zolang de desbetreffende situatie voortduurt, maar in elk geval niet langer dan 10 jaar te rekenen vanaf de toepassingsdatum van deze verordening, tenzij hij een aanvraag indient om onderworpen te worden aan de wetgeving die op grond van deze verordening van toepassing is. Indien de aanvraag binnen een termijn van drie maanden vanaf de toepassingsdatum van deze verordening wordt ingediend bij het bevoegde orgaan van de lidstaat waarvan de wetgeving op grond van deze verordening van toepassing is, is deze wetgeving op betrokkene van toepassing vanaf de toepassingsdatum van deze verordening. Indien de aanvraag wordt ingediend nadat deze termijn verstreken is, is genoemde wetgeving op betrokkene van toepassing vanaf de eerste dag van de volgende maand.

Voetnoten

1.Algemene Ouderdomswet.
2.Verordening (EEG) nr. 1408/71.
3.Verordening (EG) nr. 883/2004. Ingevolge artikel 90, eerste lid aanhef en onder c van Vo 883/2004 bleef Vo 1408/71 in de relatie tussen de lidstaten van de Europese Unie en Zwitserland van toepassing tot 1 april 2012.
4.Zie artikel 13, eerste lid, van Vo 1408/71 en artikel 11, eerste lid, van Vo 883/2004.
5.Arrest van het Hof van 19 maart 2015, C-266/13, ECLI:EU:C:2015:188.
8.ECLI:NL:HR:2015:2986, onder 2.4.3.