Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een Nederlandse ingezetene die van 1991 tot 2012 werkte voor een in Zwitserland gevestigde onderneming buiten de EU, kreeg een AOW-pensioen toegekend met een korting wegens niet-verzekerde tijdvakken. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde dat in de periode van 2002 tot 2012 de Zwitserse socialezekeringswetgeving van toepassing was, waardoor appellant niet verzekerd was voor de AOW.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad bevestigde dat op grond van de Europese coördinatieverordeningen Vo 1408/71 en Vo 883/2004 en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU, de wetgeving van de vestigingsstaat van de werkgever (Zwitserland) van toepassing is, ook al woonde appellant in Nederland. De Raad verwees naar het arrest Kik en een eerdere uitspraak van 2 november 2023, waarin werd vastgesteld dat woonplaatsvereisten in de Zwitserse wetgeving buiten beschouwing moeten blijven.
Appellant voerde aan dat de Zwitserse wetgeving geen verplichte aansluiting bood omdat hij niet in Zwitserland woonde, en verzocht om prejudiciële vragen aan het Hof. De Raad zag hiervoor geen aanleiding, mede omdat de Hoge Raad in een arrest van 5 december 2025 het standpunt van de Raad bevestigde en het cassatieberoep ongegrond verklaarde.
De Raad concludeerde dat de Svb terecht de korting op het AOW-pensioen toepaste en bevestigde het bestreden besluit. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 18 juni 2026.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de korting van 62% op het AOW-pensioen terecht is toegepast wegens niet-verzekerde tijdvakken onder Zwitserse socialezekeringswetgeving.