ECLI:NL:CRVB:2026:97
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij WW-uitkering
Appellant was in dienst bij een werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die per 4 maart 2023 werd verlengd tot 4 november 2023. Op 13 juli 2023 werd appellant op staande voet ontslagen, waarna hij op 2 augustus 2023 een aanvraag voor een WW-uitkering indiende. Het UWV kende de uitkering toe, maar stelde dat appellant verwijtbaar werkloos was geworden vanwege een dringende reden, waardoor de uitkering niet werd uitbetaald.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV handhaafde zijn standpunt. Tijdens de beroepsprocedure overhandigde appellant een beschikking van de kantonrechter waarin het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig werd verklaard. Het UWV wijzigde daarop zijn standpunt en stelde dat appellant pas per 1 september 2023 recht op een WW-uitkering kon hebben, omdat de arbeidsovereenkomst niet eerder rechtsgeldig kon worden opgezegd.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en wees de aanvraag per 13 juli 2023 af. Appellant ging in hoger beroep met het verzoek alsnog een WW-uitkering per 13 juli 2023 toe te kennen. Het UWV wees erop dat appellant op 14 maart 2025 een aanvraag voor een WW-uitkering per 1 september 2023 had ingediend, die werd toegekend.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant geen procesbelang had bij het hoger beroep omdat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig was en er per 13 juli 2023 geen recht op WW-uitkering kon ontstaan. Schade over de periode tussen 13 juli en 1 september 2023 kon in een andere procedure worden behandeld. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.