ECLI:NL:CRVB:2026:958

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
23/2251 WIA-W
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:16 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen behandelend rechter in WIA-zaken

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de behandelend rechter in zijn hoger beroep tegen uitspraken van de rechtbank Amsterdam en een beroep van rechtswege. Hij stelde dat de rechter onzorgvuldig handelde, zijn argumenten negeerde, geen geluidsopname van de zitting maakte en geen tussenbeslissing nam.

De Raad overwoog dat een rechter geacht wordt onpartijdig te zijn en dat alleen uitzonderlijke omstandigheden een wraking rechtvaardigen. Er was sprake van een misverstand over het maken van een geluidsopname, maar de Raad maakte zelf wel een opname. Het proces-verbaal was niet volledig, maar dat vormde geen aanwijzing voor vooringenomenheid.

Ook het niet nemen van een tussenbeslissing en de inhoud van de nadere stukken konden geen vooringenomenheid aantonen. Nieuwe wrakingsgronden werden niet in behandeling genomen vanwege procesrechtelijke beperkingen. De Raad concludeerde dat het wrakingsverzoek ongegrond was en wees het af zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de behandelend rechter wordt afgewezen wegens gebrek aan objectief gerechtvaardigde aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/2251 WIA-W, 23/2482 WIA-W, 26/109 WIA-W
Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door
[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)
Datum uitspraak: 20 juli 2026
PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 5 juni 2023 en 4 juli 2023. Verder is er naar aanleiding van een nader besluit van 28 oktober 2025 een beroep van rechtswege ontstaan.
Op 18 mei 2026 heeft de Raad deze zaken van verzoeker ter zitting behandeld, met E.J.J.M. Weyers als behandelend rechter.
Aan het eind van de zitting heeft verzoeker verzocht om wraking van de behandelend rechter.
Verzoeker heeft zijn verzoek schriftelijk nader toegelicht op 3 juni 2026. Op 17 juni 2026 heeft hij gereageerd op het hem toegezonden proces-verbaal van de zitting.
De behandelend rechter heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd en meegedeeld niet in de wraking te berusten.
Verzoeker en de behandelend rechter zijn uitgenodigd om te worden gehoord ter zitting van de Raad op 13 juli 2026. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn zoon. De behandelend rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij het zeer bezwaarlijk vindt dat er geen geluidsopname van de zitting is gemaakt, ondanks zijn uitdrukkelijke verzoek daartoe. Verder is volgens verzoeker de behandeling van zijn zaken ter zitting onzorgvuldig verlopen, onder meer omdat de behandelend rechter voor de behandeling van zijn zaken te weinig tijd heeft uitgetrokken en zijn argumenten structureel negeerde. Verder heeft hij naar voren gebracht dat de behandelend rechter in de zaak 26/109 WIA geen tussenbeslissing heeft genomen alvorens het onderzoek ter zitting te sluiten, hoewel dat wel zou hebben gekund. Volgens verzoeker is het van de zitting opgemaakte proces-verbaal onvolledig en bevat het op onderdelen geen juiste weergave van het verhandelde ter zitting.
3. Bij de beoordeling van een wrakingsverzoek moet voorop staan dat een rechter op grond van zijn of haar aanstelling geacht wordt onpartijdig te zijn. Van dit uitgangspunt moet worden afgeweken als er zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor vooringenomenheid van de rechter. De vrees voor vooringenomenheid van de rechter moet bovendien objectief gerechtvaardigd zijn.
3.1.
Ter zitting van de wrakingskamer is gebleken dat de bespreking van het verzoek om een geluidsopname van de zitting tot misverstanden heeft geleid. Uit de reactie van de behandelend rechter blijkt dat hij heeft begrepen dat verzoeker zelf een geluidsopname wilde maken. Verzoeker doelde echter op het maken van een geluidsopname door de Raad, zoals ook heeft plaatsgevonden. Het verzoek om een opname te laten maken door de Raad, is dus ook niet afgewezen. Uit het enkele feit dat er sprake was van een misverstand en ook uit deze gang van zaken voor het overige, kan geen vooringenomenheid van de behandelend rechter worden afgeleid.
3.2.
De grond dat de zitting onzorgvuldig is verlopen, vindt geen steun in het procesverbaal dat van die zitting is gemaakt. Het enkele feit dat, wat verzoeker overigens alleen in zijn algemeenheid heeft gesteld en wat daar ook van zij, het proces-verbaal een onvolledige en gedeeltelijk onjuiste weergave bevat van het op de zitting besprokene, maakt niet dat er sprake is van een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid van de behandelend rechter jegens verzoeker.
3.3.
De behandelend rechter heeft geen gehoor gegeven aan het verzoek om het besluit van 28 oktober 2025 ter zitting met een ‘tussenbeslissing’ te vernietigen. Voor zover het toepasselijke procesrecht de behandelend rechter al de mogelijkheid zou bieden om dat te doen, kan uit het niet geven van die beslissing en de bewoordingen die bij de afwijzing van dat verzoek zijn gebruikt geen vooringenomenheid jegens verzoeker worden afgeleid.
3.4.
Voor zover verzoeker in de nadere stukken van 3 juni 2026 en 17 juni 2026 nieuwe wrakingsgronden aanvoert, verzet het bepaalde in artikel 8:16, derde lid, van de Awb zich tegen de beoordeling daarvan. De Raad zal in de nu te nemen beslissing dan ook niet op die gronden ingaan. Voor zover de stukken betrekking hebben op de inhoud van de zaken van verzoeker, wordt erop gewezen dat de wrakingskamer daarover niet mag beslissen
.
4. Het voorgaande betekent dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking af.
Deze beslissing is gegeven door E.C.E. Marechal als voorzitter en E.C.G. Okhuizen en C.F.E. van Olden-Smit als leden, in tegenwoordigheid van C.C.M. van ‘t Hol als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2026.
De griffier De voorzitter
(getekend) C.C.M. van ‘t Hol (getekend) E.C.E. Marechal